Achter tralies.

 

Een gestoorde crimineel ontsnapt uit de gevangenis en gijzelt een bus met chauffeur, twee leerkrachten en vier leerlingen. Al vlug schiet hij de lastige chauffeur dood en later worden een leerling en één van de leerkrachten neergeschoten.

Rechercheur Dominique Meyer doet er alles aan om de ontsnapte crimineel weer op te pakken. Op zijn afdeling werkt iemand die geheime informatie doorspeelt aan de gijzelnemer, waardoor die steeds op de hoogte is van het politieonderzoek. Op het laatst vertrouwt Meyer geen enkele collega meer.

Hij besluit undercover te gaan om de crimineel sneller te kunnen opsporen, maar wordt helaas gepakt. De crimineel laat hem voor dood achter en vlucht met de kinderen. Op het laatst gijzelt hij Meyers beste vriend. Dan besluit de rechercheur tot samenwerking met een andere crimineel, waar hij overigens helemaal niet enthousiast over is. Hij hoopt op deze manier de gestoorde crimineel achter tralies te krijgen, maar of dat ook lukt…

 

Achter tralies

 

 

 32

 

Isabelle vroeg of Robert ook zin had om een saucijzenbroodje te halen. Arjen sloop er stiekem achteraan en volgde hen op afstand. Ze kochten in een snackbar saucijzenbroodjes en aten die vervolgens buiten aan een tafeltje op.

Isabelle stuurde Robert na een paar minuten weer naar binnen en belde op dat moment iemand. Arjen bleef op veilige afstand toekijken. Hij kon niet horen met wie ze belde, maar daar had hij een tap voor. Op het bureau kon hij later het telefoontje beluisteren. Na een zeer kort gesprekje hing ze op en draaide zich om. Arjen school vlug achter een boom, omdat hij niet wilde dat ze hem zag. Niemand wist dat hij Robert moest volgen, behalve Dominique en Markus, en dat wilde hij graag zo houden. Hij zag Robert met blikjes cola naar buiten komen. Ze dronken ervan en liepen weer terug, in de richting van het bureau. Arjen trok zich verder terug achter de boom, maar plotseling keek Isabelle in zijn richting, dus hij dook snel een groot kantoor binnen, in de hoop dat ze hem niet had opgemerkt.

De receptioniste keek hem vriendelijk aan. ‘Kan ik u helpen?’

Hij keek ondertussen onrustig om zich heen, want hij had zijn collega’s nog niet langs zien lopen, dus misschien was het verstandig even met haar te praten. ‘Uh, hebt u misschien een baantje voor mij?’

Isabelle kwam binnen, gevolgd door een verbaasde Robert. Ze trok haar wapen. ‘Ik arresteer je, Arjen. Handen omhoog.’ Ze liet haar legitimatie aan de hevig geschrokken dame achter de balie zien.

Daarom was die bezoeker zo nerveus, dacht de receptioniste. Hij werd achterna gezeten door de politie.

Maar Arjen trok zijn wapen ook en richtte op zijn collega. ‘De zaken worden omgekeerd, Isabelle. Ik geloof dat ik jou juist moet arresteren, is het niet?’ sprak hij zelfverzekerd. ‘Durf jij te gokken dat jij eerder schiet dan ik?’ vroeg hij arrogant.

Koelbloedig richtte ze het wapen nu op de geschrokken receptioniste. ‘Nee, maar ik durf wel te gokken dat jij net zo stom bent als die achterlijke chef van ons. Jij gokt ook niet met onschuldige mensenlevens, dus je geeft mij nu meteen je wapen.’

‘Sorry, dat ik me er mee bemoei, Isabelle, maar waar arresteer je hem voor?’ vroeg Robert hoogst verbaasd.

‘Wacht even, ik wil eerst zijn wapen hebben,’ reageerde ze geïrriteerd. ‘Ik moet hem van Markus arresteren.’

Robert werd nerveus. Misschien had de officier intussen bewijzen gevonden dat Arjen de informant toch was en had hij Isabelle rechtstreeks opdracht gegeven hem te arresteren. Arjen had, sinds hij hier werkte, regelmatig stiekem getelefoneerd. De telefoontjes zouden best eens met Mosen geweest kunnen zijn.

Arjen keek naar de receptioniste. Ze was nog jong en zag er best goed uit. Hij zou het zichzelf nooit vergeven als zij zou sterven door zijn schuld, dus hij overhandigde zijn wapen met tegenzin aan Isabelle. Hij wist namelijk ook nog steeds niet zeker of zij of Stephan de informant was, dus hij kon niet zomaar op haar schieten. Het was zeer goed mogelijk dat zij op dit moment werkelijk dacht dat Arjen de informant was, omdat hij hen stiekem had gevolgd. Hij wist dat Robert ook dacht dat hij de informant was, waarom zou Isabelle dat dan niet denken?

Ze gaf een mep tegen zijn hoofd en krijste: ‘Handen achter je hoofd en ga op je knieën zitten.’

Robert staarde naar Arjen die braaf gehoorzaamde, en begreep er niet veel van. ‘Leg mij eens uit wat er aan de hand is, Isabelle?’

‘Hij doet net of hij van de rijksrecherche is, maar hij is zelf de mol, die matennaaier.’

Robert keek nu weer naar Arjen. ‘Klopt dat?’

‘Uh, wat wil je dat ik zeg, Isabelle?’ vroeg hij met neergeslagen ogen.

‘Nou, je moet bekennen, sukkel.’

‘Goed, ik beken. Ik ben de informant. Laat je ons dan leven?’

‘Wat bedoel je, Arjen?’ Robert snapte er nog steeds helemaal niets van.

Isabelle gaf Arjen een schop tegen het hoofd waardoor hij kreunend op de grond viel. Nu greep Robert in en nam haar onder schot. ‘Je gaat te ver, Isabelle. Mishandeling komt niet in onze opleiding voor, en het maakt niet uit wat de verdachte gedaan heeft.’

‘O nee? Dit misschien wel,’ siste ze en ze schoot Robert zonder pardon door zijn hoofd. Hij zakte langzaam door zijn knieën en viel neer.

De receptioniste gilde en Arjen lag op de grond met zijn armen beschermend voor zijn hoofd. Hij liet zijn tranen lopen, en kon niet geloven dat ze de plaatsvervangende chef zomaar had gedood.

 

‘We gaan meteen maar, voordat hij ongeduldig wordt. Advocaat Gillestein kan nogal opvliegen als je te laat komt,’ sprak Markus bij binnenkomst.

‘Oké.’ Dominique keek naar Peter. ‘Wij gaan Gerrit Schooneveld ondervragen. Waar zijn Arjen, Robert en Isabelle eigenlijk?’ Het was hem nog niet eerder opgevallen dat ze er niet waren. Eigenlijk had hij er ook helemaal niet op gelet, omdat hij het erg druk had.

‘Isabelle en Robert liepen een half uur geleden samen weg en plotseling was Arjen ook verdwenen.’

‘Fuck.’ Dominique keek bedenkelijk. ‘Zoek alsjeblieft met spoed uit waar ze zijn.’

‘Prima, chef.’

‘Is er wat, Dominique?’ vroeg Markus bezorgd, terwijl ze de trap afliepen.

‘Ik heb een angstig voorgevoel. Arjen volgt Robert en Isabelle, en ze zijn nu al een half uur weg. Ik weet zeker dat hij mij zou bellen als er iets aan de hand zou zijn.’

‘Nou, hij heeft niet gebeld, dus er is niets aan de hand,’ reageerde de officier luchtig.

‘Toch zint het me niet. Ze zijn al zo lang weg, Hij had dan toch al wat van zich moeten laten horen. Robert en Arjen kunnen wel dood of ontvoerd zijn, Markus.’

‘Je kijkt teveel televisie.’

Dominique gaf hem een por. ‘Daar heb ik nogal de tijd voor, zeg. Nou, we gaan eerst die advocaat en de heer Schooneveld maar eens aan de tand voelen.’

Gillestein keek nijdig naar Markus toen ze de kamer inkwamen. ‘We zitten hier al tien minuten te wachten, meneer de arrogante officier.’

Hij glimlachte vriendelijk, hoewel dat hem zeer veel moeite kostte. ‘Het spijt me werkelijk.’

Dominique gaf hen een hand. ‘Dag meneer Schooneveld. En leuk u weer te ontmoeten, meneer Geilestin.’

Markus kon een glimlach niet onderdrukken en vroeg zich af of zijn zwager die naam nou expres verkeerd had uitgesproken.

‘Gillestein heet ik. Onthou dat!’

‘Dat bedoel ik,’ reageerde hij vlug.

De advocaat keek geïrriteerd. ‘Wat wilt u hem ten laste leggen, Dubois?’

Hij schoof hem een document toe. ‘Hier staan een aantal zaken op, maar nog niet alles. U zult wel begrijpen dat ik er nog mee bezig ben.’

‘Vinden jullie het goed als ik dit verhoor opneem?’ vroeg Dominique die zijn beruchte recordertje voor zich neerlegde.

‘Doe maar. Ik kan het toch niet tegenhouden,’ bromde Schooneveld.

‘Wie is uw baas?’

‘John Zomer. Dat weet je toch wel? Jij hebt ook nog voor hem gewerkt.’

‘Ik wil graag dat u kort antwoordt op mijn vragen, ja? Doet u alles wat meneer Zomer aan u vraagt?’

‘Dat is een stomme vraag. Natuurlijk doe ik niet alles voor hem.’

‘Ik weet niet of ik het daarmee eens ben, maar goed, ik zal de vraag anders formuleren. Doet u naast zakelijke klussen ook nog andere klusjes voor hem?’

‘Soms.’

‘Zoals wat?’

‘Nou, van alles.’

‘Mensen aftuigen bijvoorbeeld?’

‘Heb je daar bewijs van, smeris?’ snauwde hij.

De chef keek hem fronsend aan en Markus nam het woord. ‘Weet u, meneer Schooneveld, u gaat voor lange tijd de cel in, want we hebben voldoende bewijs tegen u. Dat was wel anders bij uw baas, vandaar dat we hem helaas hebben moeten laten gaan.’ Markus stopte de opname en vervolgde zijn verhaal. ‘Meneer Schooneveld, misschien kunnen we u wel tijdelijk laten gaan, en daarmee bedoel ik totdat de zaak voorkomt. Ook kan ik als aanklager natuurlijk een flink lagere celstraf eisen. Wij zijn namelijk heel erg geïnteresseerd in iemand anders, namelijk de contactpersoon. Die zoekt mensen die veel willen betalen voor een spannende seksmoord, zo eentje waar ze erg van opgewonden raken, begrijpt u? Wat denkt u, is het een interessant aanbod? U vertelt de naam, en ik laat u tijdelijk gaan en eis een lagere straf, maar dit blijft uiteraard wel onder ons. Ik wil hier geen problemen door krijgen, dus ik zal het ontkennen als u het doorvertelt. Tevens zal ik dan toch de gewone straf eisen.’

De advocaat antwoordde: ‘We gaan akkoord maar willen dat hij onmiddellijk vrijgelaten wordt.’

Markus was opgelucht. ‘Prima. Wie is het?’ vroeg hij nieuwsgierig.

‘Achmed de schoonmaker.’ Schooneveld grijnsde naar Dominique.

‘Fuck. Toch die sukkel.’

Markus stond op en gaf een hand. ‘Dank u wel voor uw medewerking, u kunt gaan, meneer Schooneveld. En gedraag u, anders pakken we u zo weer op.’

‘We moeten gauw eens samen lunchen, Dubois,’ zei advocaat Gillestein. ‘Dan kunnen we wat dingen doorspreken.’

‘Gezellig, wanneer?’ vroeg hij met een nep glimlach. Als hij ergens een hekel aan had, was het een lunch met hem.

 

Haastig stak Markus de straat over en liep naar de ingang van justitie. Plotseling liep Isabelle naast hem en hij keek om zich heen of niemand hen volgde, omdat hij wist dat zij en Stephan de eventuele informant waren, en hij wilde absoluut niet voor onverwachte vervelende situaties komen te staan. Ze was een adembenemende schoonheid, maar dat wilde niet zeggen dat ze onschuldig was.

‘Wil je niet even koffie met me drinken?’ vroeg ze poeslief.

‘Je was vermist, dame.’

‘Ik wil met je praten.’

‘Hoezo, wil je wat vragen?’ vroeg hij argwanend.

‘Nou, ik heb wat over Arjen ontdekt. Hij heeft Robert onder dwang meegenomen en dacht dat ik het niet zag. En volgens mij deed hij het in opdracht van Stephan. Mijn auto staat hier vlakbij. Kom op, we gaan een stukje rijden, dan laat ik je zien waar ik Arjen en Robert voor het laatst heb gezien.’

‘Prima.’ Hij stapte naast haar in de auto en keek haar onder het rijden afwachtend aan.

‘Stephan en Arjen praten steeds stiekem met elkaar. Arjen doet net of hij bij de rijksrecherche werkt, maar hij en Stephan werken gewoon voor Mosen.’

‘Hoe weet je dat? Waar heb je ze voor het laatst gezien? Van mij hoef je de snelweg niet op,’ sprak hij plotseling verontrust. Ze mocht dan wel een bijzonder mooie dame zijn, maar ze kon ook samenwerken met Mosen, dus hij moest voorzichtig zijn. Hij bedacht nu pas hoe dom hij was geweest om zomaar in haar auto te stappen. ‘Zet me alsjeblieft af, Isabelle, ik wil graag naar mijn werk.’

Tot zijn grote schrik voelde hij wat achter in zijn nek. ‘Doe je handen achter je hoofd, Markus,’ beval een man.

‘Dus je bent wel de informant, Isabelle,’ reageerde hij verslagen.

De man boeide zijn polsen aan de hoofdsteun en fouilleerde hem. ‘Ik ben trouwens Anton van Veen, maatje van Mosen. Wij hebben elkaar al eens eerder ontmoet, maar toen sliep jij.’

‘Aangenaam kennis te maken,’ zei de officier die even niets anders wist te zeggen. ‘Waar brengen jullie me naartoe?’ vroeg hij bang.

‘Naar Mosen natuurlijk.’

Hij werd onrustig. ‘Uh, waarom?’

‘Daar heeft hij om gevraagd.’

‘Kunnen we niet een deal sluiten, meneer Van Veen?’ probeerde hij, wanhopig terugdenkend aan de vele mishandelingen en bedreigingen gedurende zijn vorige ontvoering.

‘Nee, dan vermoordt hij ons. Onze opdracht is jou af te leveren.’

‘Hij zal me laten sterven. Daar was hij de vorige keer al goed mee bezig.’

‘Mooi. Dan kan hij het nu afmaken,’ zei Van Veen kil.

 

Dominique keek rond of hij de vermiste collega’s zag, maar er was niemand meer aanwezig, met uitzondering van Peter. Het was ook al laat, dus ze waren vast naar huis.

‘Ik heb op je gewacht, chef. Helaas heb ik zeer slecht nieuws voor je,’ zei Peter met rode ogen.

‘En dat is?’ vroeg hij met nog meer hoofdpijn.

Hij staarde naar de grond. ‘Uh, Robert is, uh-’

Dominique had grote ogen. ‘Robert is wat?’

‘Dood.’

Hij liet zich voorover op het bureau vallen en liet zijn tranen gaan. Peter legde een hand op zijn schouder en gaf zijn chef een tissue.

Hij snoot hard zijn neus en veegde tranen van zijn wangen, maar er volgden meteen weer nieuwe. ‘Hoe is het gebeurd?’ snikte hij. Eigenlijk had hij liever als macho over willen komen, maar dat lukte gewoon niet. Hij kon niet geloven dat Robert gestorven was.

‘Hij is vermoedelijk door Isabelle door zijn hoofd geschoten,’ antwoordde hij zacht. Ook hij had het moeilijk.

‘Fuck, het was dus toch Isabelle. Waar was Arjen toen het gebeurde?’ Met zijn mouw veegde hij weer wat tranen weg.

‘Hij en een receptioniste zijn getuige geweest van de moord. Isabelle schoot hem koelbloedig dood en heeft Arjen meegenomen.’

‘Dus hij is ontvoerd,’ zei hij verslagen.

‘Ja. Ik heb er al een team opgezet om hem op te sporen en een ander team onderzoekt Roberts dood.’

‘Shit, Peter. Dit is zo onwerkelijk. Ik moet het nog even verwerken, hoor.’ Hij dacht even na. ‘Ik moet Markus informeren.’ Hij belde meteen, maar er werd op zijn toestel niet opgenomen, dus de telefoon werd doorgeschakeld naar de receptioniste, die vertelde dat de officier niet aanwezig was. Dominique raakte in paniek, want Markus had gezegd naar zijn werk te gaan. Dus nu probeerde hij zijn mobiel te bellen, maar dat stond uit. Daarna belde hij met Valérie.

‘Hé broertje. Wat moet je?’

‘Uh, is Markus al thuis?’

‘Wat klink je nerveus?’

‘Is hij er?’ drong hij aan.

‘Nee, nog niet. Hoezo?’

‘Fuck. Ik kan hem niet bereiken,’ stamelde hij wanhopig.

‘Jullie kunnen echt geen seconde buiten elkaar, hè?’

‘Valérie, toe nou.’

‘Had hij niet een rechtszaak?’

‘Die is allang afgehandeld. Hij komt net bij mij vandaan.’

‘Dat bedoel ik nou, broertje. Waarom moet je hem dan nu al weer spreken?’

‘Lief zusje, ik heb het vermoeden dat Mosen hem weer wil pakken.’

‘Shit. Laat je het weten als je hem hebt gesignaleerd?’

‘Zal ik doen, liefje. Jij ook, alsjeblieft.’ Hij hing op en keek naar Peter. ‘Fuck, niet te bereiken.’ Hij zuchtte diep. ‘Nu weten we in ieder geval wel eindelijk waarom die gore crimineel David en Elisa heeft laten leven na hun gijzeling.’

‘Die schoolkinderen? Hoezo?’

‘Isabelle is zijn vriendinnetje en ze is hun tante. Ga jij maar naar huis, ik ga hier slapen.’

 

Het was al behoorlijk donker toen ze bij een afgelegen, oude boerderij aankwamen. Isabelle opende de krakende, houten deur en Mosen wachtte hen in de hal op.

‘Ha, Markus. Tijd niet gezien.’

‘Dag Mosen,’ zei hij zwakjes. ‘Ik wilde u liever pas in de cel terugzien.’

‘Je bent net zo’n grappenmaker als die leuke vriend van je. Zet hem bij Arjen.’

Hij werd naar een klein kamertje gebracht, waar Arjen op het onderste bed van een stapelbed zat. ‘Hoi Markus, ik zat al op je te wachten.’

‘Hoe wist je dat ik kwam?’ Hij ging naast hem zitten.

‘Dat had Isabelle gezegd. Mosen wil Dominique hierheen halen.’

‘Hij gaat ons doden, Arjen,’ zei hij verontrust. ‘Hij kan zich geen fouten meer veroorloven.’

‘Hij heeft Roberts dood al op zijn geweten,’ reageerde Arjen zacht. Een traan rolde over zijn wang.

‘Wat zeg je?’ Hij hoopte dat hij hem verkeerd had verstaan.

‘Robert is dood.’

Hij sloot zijn ogen en kon het niet geloven.

Arjen staarde naar een lege grijze emmer die in de hoek stond. ‘Ik hoop dat Dominique nog een goed plan heeft om ons hieruit te halen, want anders is het met ons ook afgelopen.’

De officier keek bedenkelijk. ‘Het is mijn schuld dat jij hierin betrokken bent geraakt.’

‘Hoezo?’

‘Omdat ik jou gevraagd heb onderzoek te doen naar Dominiques afdeling. Ik heb je persoonlijk uitgekozen toen ik over jouw afdeling bij de rijksrecherche liep.’

‘Het is mijn werk, Markus. Niemand heeft dit kunnen voorzien. Als je een ander had uitgekozen, was die erbij betrokken geraakt, dus het maakt niet zoveel uit.’

 

Dominique had op het bureau geslapen, hij werd om half zes kreunend wakker met rugpijn. Valérie had niet gebeld, dat betekende dat Markus nog niet terecht was. Hij ruimde de kussens van de bank op, waarop hij redelijk had geslapen, maar hij zou blij zijn als hij vannacht heerlijk in zijn eigen bed kon liggen.

De bel ging en gapend liep hij naar beneden, in de verwachting dat er collega’s voor de vaste deur stonden die misschien een keer extra vroeg wilden beginnen. Maar er stonden onbekende mannen voor de deur. ‘Goedemorgen heren, kan ik u helpen?’

‘Ja, hoor.’ Eén van hen trok een pistool.

Hij schrok zich wild en deed een paar stappen achteruit. ‘Wat wilt u van me?’

‘Handen omhoog, maatje.’ Hij pakte zijn wapen af. ‘Jij gaat met ons mee, dan gaan we samen een gezellig ritje maken, Dominique Meyer.’

‘O ja? Daar heb ik absoluut geen zin in. Hoe weet u trouwens mijn naam?’

‘Schiet hem maar meteen dood,’ adviseerde de andere vent.

De man met het wapen keek heel even naar zijn maat en Dominique maakte daar misbruik van, hij wilde namelijk nog helemaal niet dood. Hij sloeg hem onmiddellijk bewusteloos. De andere man begon met hem te vechten en ze rolden op de stoep over de grond. De kerel lag op hem en sloeg fanatiek in zijn gezicht. Maar Dominique zag ineens het wapen vlak naast zich liggen en bedacht zich geen moment. Hij pakte het en schoot in de buik van de overvaller, die daarop stil bleef liggen. Dominique duwde hem van zich af en boeide hem, tevens checkte hij de andere man die hevig bloedde en helaas was overleden. Vlug lichtte hij de hulpdiensten in en het duurde een paar minuten voordat een politieauto met sirene aankwam. Hij liet zijn legitimatie zien en gaf een verklaring. Daarna ging hij weer naar binnen en waste het bloed zo goed mogelijk van zijn overhemd. Hij pakte koffie en ging zuchtend zitten. Met zijn hoofd op het bureau dacht hij na over de mannen die zijn naam wisten. Zouden ze in opdracht van Mosen gehandeld hebben? Of was het gewoon toeval dat ze hier waren. Maar hoe wisten ze dan hoe hij heette? Hij was van plan de overlevende overvaller een keer te horen. Maar nu had hij andere plannen, en daar had hij officier Tim de Goede voor nodig. ‘Goedemorgen Tim, met Dominique.’

‘Markus is er nog niet, hoor,’ aarzelde hij.

Hij zuchtte: ‘Weet ik. Hij komt ook niet, want hij is weer eens ontvoerd.’

Tim geloofde zijn oren niet.

Dominique vervolgde: ‘Weet je, Markus zou een arrestatiebevel regelen. Het gaat om Achmed Ozturk. Er zal wel een dossier in zijn kast of lade liggen over de zaak Spanno. Jij weet het vast wel te vinden en anders vraag je het maar aan Markus’ assistent of secretaresse. Ik wil die vent heel graag vandaag oppakken. Wil jij dat bevel voor me regelen?’

‘Ja, dat doe ik. Wat doe je met Markus?’ vroeg hij nerveus.

‘Er zitten al heel veel mensen op, dus dat zit wel goed. Ik wacht op het arrestatiebevel, want het werk gaat door, zou Markus gezegd hebben.’

‘Kijk je goed uit, Dominique? We willen niet nog meer mensen kwijt raken.’

‘Je klinkt al net zo bezorgd als Markus,’ lachte hij. Ze hingen op en hij ging aan het werk. Om half negen checkte hij of iedereen er was en verzocht Stephan mee te lopen naar zijn kantoortje. Die was zeer nerveus en was bang dat hij nu gearresteerd zou worden.

Dominique zette zijn computer aan en keek naar de jonge rechercheur. ‘Je bent weer vrij om te gaan waar en wanneer je wilt. Ik verdenk je nergens meer van.’

Hij was opgelucht, maar wilde zekerheid. ‘Moet Markus dat niet regelen?’

‘Hij is ontvoerd, en Arjen ook.’

Hij schrok. ‘Door?’

‘Ik vermoed door Isabelle, in opdracht van Mosen.’

‘En, uh, Isabelle was zeker naast mij de tweede verdachte?’ vroeg hij voorzichtig.

Hij knikte. ‘Ik neem aan dat zij je mobiel tijdelijk had gepikt om jou verdacht te laten lijken. Het spijt me.’ Hij veegde in zijn ogen. ‘Ze heeft Robert koelbloedig vermoord, Steef.’

Stephan staarde zijn chef aan en deed toen zijn handen voor zijn gezicht. Zachtjes begon hij te snikken.

Dominique stond op. ‘Het werk gaat door, Steef. Ben je in staat iemand aan te houden?’

 

‘Kom je hier weer als politieman?’ glimlachte de telefoniste van Spanno. Ze keek naar de bewapende agenten achter hem.

‘Ja. We gaan Achmed aanhouden. Is hij aanwezig?’ vroeg Dominique.

‘Hij zit in zijn kamer of hij is met onderhoud bezig. Wat heeft hij uitgespookt?’

‘Zeg ik niet, schatje. Het is veiliger voor je als je zo weinig mogelijk weet.’

‘Heb je een echt wapen op zak?’ vroeg ze met een blik op zijn heupen.

Hij lachte hard. ‘Wat denk je, Karin?’

‘Ik denk van wel, maar het lijkt me zo eng. Straks gebeurt er wat met je, en dan moet je schieten.’

‘Er gebeurde ook wat met me toen ik hier gewoon als schoonmaker werkte. Misschien trek ik wel geweld aan, liefje.’

‘Hij heeft vanmorgen nog een overvaller gedood en diens maat gearresteerd,’ kon Peter niet nalaten tegen de receptioniste te zeggen.

Dominique liep grijnzend in de richting van de kantoortjes. Hij hield van zijn werk. Behalve iemand doden, dat vond hij natuurlijk nooit leuk. Of nabestaanden over een moord informeren. Of een collega of familielid verliezen.

Achmed was aan de telefoon en hing verschrikt op. ‘Wat moet jij hier, smeris?’

‘Ik kom je oppakken, gore leugenaar,’ siste hij nijdig.

‘Zeg, dat gaat zomaar niet.’

Hij pakte het arrestatiebevel. ‘Wel, hoor, kijk maar. Ik mag je aanhouden volgens dit bevel.’

Achmed gaf hem onverwachts een duw waardoor hij tegen de kast aanviel, en rende de gang op.

‘Fuck.’ Hij vloog erachter aan en kreeg hem uiteindelijk te pakken. Hij pakte hem hardhandig bij zijn pols en duwde hem tegen de muur aan. Stephan greep de andere pols, en het duurde niet lang voor hij geboeid was.

‘Neem die idioot mee,’ hijgde Dominique kwaad.

Achmed werd afgevoerd en de politiemannen keerden terug naar de Landelijke Recherche.

‘Heeft Mosen gebeld, Angela?’ riep de recherchechef toen hij binnenkwam.

Ze schudde haar hoofd. ‘Hoe verliep de arrestatie?’

‘Prima. We hebben hem.’ Hij constateerde dat het bijna half elf was. ‘Ik zit in mijn kamer en wil liever niet gestoord worden, tenzij jullie nieuws hebben over Markus of Arjen.’

Hij zat nog maar net toen de telefoon ging. Het was een buitenlijn en daar ergerde hij zich over. Toen hij hier net werkte, liepen de meeste telefoontjes via Angela. Hij vroeg zich af waarom dat nu niet meer zo was. Vermoedelijk kenden de bellers zijn doorkiesnummer inmiddels. ‘Dominique Meyer.’

‘Ik heb twee dingen voor je.’

‘Fuck, Mosen. Die twee dingen wil ik heel graag terug,’ schreeuwde hij woedend.

‘Weet jij dan wat ik bedoel?’

‘Ja, gore loser. Ik wil officier Dubois en rechercheur Goezinne terughebben. U denkt zeker maar dat u iedereen van straat mag plukken, imbeciel!’

‘Hé, ik haat het als je scheldt. Ik zal Markus ervoor straffen.’

Hij schrok. Hij had zich veel teveel laten gaan door zijn emoties. ‘Het spijt me. Laat officier Dubois alstublieft met rust. Wat wilt u?’ Mosen had in ieder geval wel toegegeven dat hij Markus in gijzeling had.

‘Dat hoor ik graag. Dat je zo nederig tegen me doet, smeris.’

‘Waarom moest rechercheur De Vocht dood?’

Mosen lachte hard, tot grote ergernis van Dominique. ‘Robert was een grote bemoeial en hij was jouw plaatsvervanger. Wie kon ik nou beter laten mollen dan hem?’

‘Niemand. U hoefde helemaal niemand te laten doden, ik doe toch wel wat u zegt.’

‘Jij ontsnapt mij te vaak, smeris. Maar goed, drie maal is scheepsrecht. Ik heb wat leuks in gedachten.’

‘Zeg het maar. Ik speel mee als u de gijzelaars laat gaan.’

‘Nee, je weet dat ik het spelletje anders speel.’

Hij wreef zuchtend in zijn gezicht. ‘Had u die twee sukkels op mij afgestuurd om mij te pakken?’

‘Zeg, ik ga je wat zeggen, stoor me dan niet!’

Hij zweeg.

‘Jij komt hierheen met je vriend.’

Hij dacht aan Markus, maar Mosen had net gezegd dat hij Markus zou straffen. ‘Welke vriend?’

‘Willem.’

‘Pardon? Wie zegt u?’

‘Je hoorde me wel. Markus en Arjen overleven het niet als jullie niet komen. Ik laat je nog weten wanneer, hoe en waar.’ Hij hing op.

‘Shit.’ Hij liep nadenkend zijn afdeling op. ‘Kent iemand een collega die Willem heet?’

Niemand gaf antwoord.

‘Er moet toch iemand zijn? Mosen belde net en zei dat ik met mijn vriend Willem moest komen,’ mompelde hij in zichzelf.

Stephan keek op. ‘Mosen? Hij bedoelt Willem Jongsma.’

‘Wat zeg je?’

‘Willem Jongsma, die crimineel van Spanno.’

Hij bekeek zijn jongste rechercheur onderzoekend. ‘Hoe kom je daarop, Steef?’

‘Je bent een keer samen met hem ontvoerd en wie weet zat Mosen daar wel achter. Hij houdt namelijk wel van spelletjes spelen. Je kreeg daar toch diezelfde nieuwe drugs als toen bij Laura van Asten? Misschien heeft Mosen die drugs Nederland wel binnen gesmokkeld. En Willem Jongsma heeft trouwens een aantal van die gasten gedood, dus daar zal Mosen wel pissig om zijn.’

Hij hief zijn armen. ‘Great. Ik weet niet eens hoe ik hem kan bereiken. Shit.’

 

33

 

Arjen leunde tegen de muur en probeerde door het kleine raampje te kijken. Maar het zat veel te hoog en waarschijnlijk was het ook nog nooit gelapt, dus veel kon hij er niet door zien. Markus zat op het bed en staarde voor zich uit. De muren in het kamertje waren grauw en zaten onder de vlekken van platgeslagen insecten. Op de vloer lag een oud, grijs zeil. De houten deur was waarschijnlijk nog nooit gelakt, hij viel bijna uit elkaar van ellende.

‘Heb je nog een beetje geslapen, Arjen?’

‘Nee. Jij?’

‘Nee, ook niet. Je lag geen seconde stil.’

‘Sorry.’ Arjen zuchtte bezorgd. ‘We maken geen kans om hieruit te komen, Markus.’

‘Weet ik. We zullen op Dominique moeten wachten.’

Plotseling stormde Mosen naar binnen en trok de officier ruw aan zijn haren overeind. Hij werd bang en kneep zijn ogen strak dicht, denkend aan zijn vorige ontvoering. ‘Wat wilt u?’

Hij gaf geen antwoord, maar liet hem door Douwe Kroon vasthouden en sloeg hem meerde malen.

‘Laat hem gaan, Mosen,’ riep Arjen, maar de crimineel was door het dolle heen.

De officier viel na de mishandeling op de grond.

Arjen hielp hem overeind toen Mosen en Kroon de kamer hadden verlaten. ‘Hij was behoorlijk boos en ik vraag me af waarom. Misschien heeft hij met Dominique gebeld en heeft die iets gezegd wat verkeerd viel.’

‘Dominique lokt hem misschien wel uit,’ kreunde Markus zacht.

‘Fijn voor jou, hij moet zich leren gedragen.’

‘Hij moet Mosen pakken, Arjen, dat is zijn werk.’

 

‘Ga je mee, chef?’ vroeg Peter.

‘Gezellig. Waar gaan we heen?’

‘Achmed en zijn advocaat willen met ons praten.’

Dominique keek bedenkelijk. ‘O. Dus niet zo gezellig. Gaat Stephan ook mee?’

‘Ja, hij staat allang al te wachten.’

Michelle Kuijt was een mooie, redelijk jonge advocate. Ze had haar lange, blonde haren in een staart gebonden en keek de rechercheurs stralend aan. ‘Dag, ik ben advocaat Kuijt. Neem alstublieft plaats.’

Stephan ging naast zijn chef zitten. Hij had nog niet echt veel verhoren meegemaakt en was trots een keer bij een verhoor te zitten waar zijn chef bij aanwezig was. Peter bleef bij de deur staan en stopte wat verse kauwgom in zijn mond.

‘Hoe gaat het, ex-collega?’ vroeg Dominique sarcastisch.

‘Klootzak.’

‘Waarvoor is mijn cliënt opgepakt, heren?’ vroeg Michelle, voordat een woordenwisseling uitbrak.

‘Hij wordt onder andere verdacht van het aanzetten tot ontvoering, verkrachting, bedreiging en moord. Kijk, hij bracht collega’s steeds in contact met mensen die graag iemand afgeslacht zagen worden voor een leuk bedrag.’

‘Ik ben onschuldig.’

Dominique schaterde. ‘Tuurlijk. Als jij onschuldig bent, ben ik crimineel.’

Michelle fronste haar wenkbrauwen.

‘Achmed, ik neem aan dat je weet dat je zwijgrecht hebt. Hoe lang zit jij nou al in deze smerige business?’

‘Welke business, Dominique?’

‘Niet zo onnozel doen. Je weet echt wel waar ik het over heb.’

‘Geen flauw idee.’

‘Goed, je wilt dus niet meewerken. Dan probeer ik het anders. Officier Dubois heeft jouw collega, Gerrit Schooneveld, aangeboden een lagere straf te eisen als hij de contactpersoon zou verlinken. En wat denk je? Hij heeft jouw naam genoemd,’ grijnsde hij vals.

‘Hij liegt,’ snauwde hij. Spetters speeksel vlogen in de rondte en Dominique keek er met een vies gezicht naar. Stephan veegde zijn hand vlug droog aan zijn broek en Peter grinnikte bij de deur. Stephan wierp hem een dodelijke blik toe.

‘Dat geloof ik niet, Achmed,’ sprak Dominique heel rustig.

‘En hem geloof je wel?’

‘Waarom niet? Weet je, Achmed, ik kan voor jou ook wel wat doen.’ Hij knipoogde naar de schoonmaker.

‘Wat dan?’ vroegen hij en de advocaat in koor.

Stephan liet van schrik zijn pen vallen. De recherchechef had zijn medewerkers hier helemaal niet op voorbereid.

De rechercheur boog voorover en fluisterde. ‘Niet tegen anderen zeggen, hoor, maar ik ga jou ook aanbieden dat de officier een kortere celstraf eist als je iets voor me doet.’ Hij gaf de verdachte een vette knipoog.

‘Dat kan alleen een officier aanbieden, jij hebt niets met celstraffen te maken, dus ik geloof je niet.’

‘Toch kan het in dit bijzondere geval wel, Achmed. De officier van justitie is het zeker met mij eens. Wat denk je, werk je mee of zal ik je gewoon in je cel weg laten rotten?’

Peter grijnsde bij de deur en blies een ballonnetje. Hij keek geïrriteerd naar zijn neus toen de kauwgom daaraan bleef plakken. Met grote moeite kon hij het kleverige spul er vanaf trekken. Stephan keek ernaar en kon een glimlach niet onderdrukken.

‘Kan die lummel daar bij die deur niet weg? Hij irriteert me matelaas,’ siste Achmed boos.

Dominique keek naar Peter en zag hem stoeien met zijn kauwgom. Hij kon zijn lachen bijna niet houden, maar probeerde serieus te blijven. ‘Mij niet, dus hij blijft gewoon staan. Ik begrijp dat je er niet op in gaat?’

‘Wat is uw voorstel, rechercheur Meyer?’ vroeg Michelle nieuwsgierig.

‘Ik wil een afspraakje maken met Achmeds collega, Willem Jongsma, want ik mis hem zo vreselijk, maar ik heb geen flauw idee hoe ik hem kan bereiken. En ik heb er heel veel voor over.’

‘Dus je wilt zijn mobiele nummer?’ vroeg Achmed ongelovig.

‘Ja. Heel erg graag.’

‘Wat moet je met Willem?’

‘Dat gaat jou toch niets aan?’

‘Dan zeg ik niets.’

Hij schoof zijn stoel naar achteren en stond op. ‘Dan krijg je ook geen strafvermindering. Ga je mee, Steef?’

‘Misschien bel ik hem wel voor je,’ reageerde Achmed haastig.

‘En dan?’ Dominique ging weer zitten en wachtte geduldig zijn antwoord af.

‘Dan kan hij zelf beslissen of hij jou wil bellen. Maar ik wil dat je belooft dat dit niet is om hem op te pakken.’

‘Dus we hebben een deal?’

‘Beloof het, smeris.’

‘Ik beloof het, ik pak hem niet op. Dat kan ook niet, want hij heeft voldoende vrienden die mij kunnen terugpakken en daar heb ik niet zoveel zin in. Ik mis hem echt, dus maak er alsjeblieft haast mee.’

 

De vrouwelijke rechercheur bekeek hem onderzoekend. ‘Van de Landelijke Recherche, zei u?’

‘Ja. Ik wil die vent graag verhoren, want hij heeft waarschijnlijk belangrijke informatie voor me.’

‘Ik zal hem naar een verhoorkamer laten brengen.’ Ze wees naar een deur verderop. ‘Wacht u daarbinnen maar op hem.’

Dominique nam koffie mee naar de kamer en een paar minuten later kwam ze weer bij hem. ‘Hij komt zo, maar mijn baas wil dat ik bij het verhoor aanwezig ben.’

‘Graag. En uw naam is?’

‘Andrea Kuipers. Ik werk hier nog niet zo lang, nog maar een halfjaar.’

‘Als rechercheur?’

‘Klopt. Mijn eerste baantje als rechercheur. Mijn chef vindt mij trouwens talentvol,’ sprak ze trots. ‘Ik had de opleiding gedaan, maar was zwanger geworden. Mijn vriend, met wie ik inmiddels getrouwd ben, wilde ook rechercheur worden, maar is een paar jaar jonger dan ik. We hebben nu drie kinderen, twee dochters en een zoontje. Mijn man werkt trouwens sinds kort ook bij de Nationa-’

Hij gaapte en onderbrak haar. ‘Zeer interessant. Weet je, Andrea, zullen we het over het verhoor hebben?’

‘O. Goed, hoor.’

‘Ik wil hem redelijk hard aanpakken, maar misschien kun jij de lieve agent spelen.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Ik laat duidelijk merken dat ik hem hard wil aanpakken en laat jou dan even alleen met hem. Dan breng jij hem tot bedaren en maakt hem duidelijk dat ik niet zo aardig ben.’

‘Ben je dat dan ook echt niet?’

‘Nee, niet echt,’ grijnsde hij. ‘Maar goed, ik wil gewoon wat informatie uit hem trekken. Na een tijdje laat jij ons alleen en dan moet het gewoon lukken. Afgesproken?’

‘Ik zal het proberen. Ik heb nog nooit zo’n soort verhoor afgelegd.’

‘Eens moet de eerste keer zijn. Hé, vergeet niet dat ik niet boos op jou ben, ook al zal ik zo direct  onaardig tegen je doen.’

De verdachte kwam binnen en keek Dominique nijdig aan.

De recherchechef haalde zijn schouders op. ‘Goedendag. Ik zal mezelf niet voorstellen, want u wist mijn naam op de één of andere manier al. U hebt zwijgrecht en het recht op een advocaat. Wat is uw naam?’

De arrestant wendde zijn hoofd af.

‘Zeg uw naam maar,’ zei Andrea zacht. ‘Maak het uzelf niet zo moeilijk.’

De jonge vent glimlachte naar haar. ‘Michel de Jong, schatje.’

‘Hé, ze is uw schatje niet.’ Dominique stond op en ging dreigend bij hem staan. ‘Wat kwamen jullie die vroege ochtend bij de Landelijke Recherche doen? Toevallig was ik daar aanwezig. Was dat wel toeval?’

‘Nou, we zochten een paar euro om condooms te kopen. En we hoopten dat jij wat aan ons kon lenen.’

Hij trok hem uit zijn stoel en gooide hem tegen de muur aan. ‘Wat zei u?’ hijgde hij vlak bij zijn gezicht. ‘Ik ben niet gek, hoor. Neem een ander in de maling.’

Michel was flink geschrokken. ‘Dat is mishandeling, Dominique Meyer.’

‘Hij heeft gelijk, Dominique,’ vond Andrea. ‘Doe eens rustiger.’

De recherchechef keek haar boos aan. ‘Ik ben jouw meerdere, dus je hebt er helemaal niets over te zeggen,’ snauwde hij.

‘Sorry.’ Ze wist even niet of hij het nou wel of niet meende. Maar toen dacht ze weer aan zijn woorden. Hij zou niet echt boos op haar zijn, had hij gezegd.

‘Nou, wat kwamen jullie doen?’

‘Jou ontvoeren, macho,’ antwoordde Michel zo zelfverzekerd mogelijk.

‘Waarom?’

‘Om je lekker te pakken. We zouden je meenemen naar een afgelegen plekje, zodat niemand ons kon storen.’

Hij keek fronsend. ‘O ja? Hoe wisten jullie dat ik daar al zo vroeg was? En hoe kwamen jullie aan mijn naam?’

‘We hadden van te voren een mooie vent uitgezocht en op internet stond jouw naam er keurig bij, en ook waar je werkte. We hadden je al langer in de gaten gehouden, dus we wisten dat jij op je werk geslapen had.’

Hij liet hem nu los en keek hulpeloos naar Andrea. ‘Mijn koffie is koud geworden. Ik haal even nieuwe, goed? Red je het even alleen met die griezel?’

Ze knikte, maar was wel zeer nerveus. Blijkbaar had hij veel ervaring met dit soort verhoren, bedacht ze, maar zij had die ervaring nog niet. Dominique liep weg.

‘Laat hij je zomaar alleen, liefje?’

‘Dat doet hij wel vaker. Zeg, u moet hem niet boos maken, hoor. Hij kan nogal agressief zijn. Ik heb weleens gezien dat hij een arrestant compleet voor rot had geslagen. Hij heeft een hoge functie, dus hij zal er nooit voor gestraft worden.’ Andrea was best trots op zichzelf dat het liegen haar zo gemakkelijk afging. Ze hoopte dat Dominique het op deze manier goed genoeg vond. ‘Hebt u net de waarheid verteld?’

‘Ja.’

‘Bent u homo?’

‘Natuurlijk, je denkt toch niet dat ik een vent wil naaien als mij dat niet aanstaat?’

‘Ik weet niet wat criminelen willen, hoor. Hadden jullie dit allemaal zelf bedacht?’

‘We hadden opdracht gekregen.’

‘Van wie dan?’

‘Ga ik jou zeggen. Dan kan ik mezelf nu meteen wel doodschieten.’

‘Hoezo?’

‘Mijn opdrachtgever vermoordt me als ik zijn naam noem.’

Dominique kwam binnen met koffie en ging pal naast de verdachte zitten. ‘Dus u vindt me aantrekkelijk?’ glimlachte hij.

‘Ja,’ antwoordde de verdachte onzeker.

‘Dat doet me eigenlijk wel wat. Maak de volgende keer alstublieft een afspraakje, want ik hou er namelijk niet zo van als ik ontvoerd word. Goed?’

Michel de Jong keek hem verbluft aan. ‘En wat gebeurt er nu met me?’

‘Nu gaat u mij de naam van uw opdrachtgever geven.’

‘Opdrachtgever?’ stamelde Michel.

‘Ja, u denkt toch niet dat ik zomaar geloof dat jullie mij toevallig op internet hadden opgezocht en bedacht hadden dat ik maar ontvoerd en verkracht moest worden.’

‘Waarom niet?’

‘Toe nou, Michel. Ik ben met gevaarlijke zaken bezig. Ik weet heus wel hoe de naam van uw opdrachtgever is, hoor. Zal ik het zeggen?’

Hij knikte heel langzaam.

‘Mosen.’

De arrestant schrok zich wild.

‘O, Andrea, ik ben eigenlijk vergeten dat vriend Michel ook wel koffie lust. Haal het eens voor dat lekkere ding.’

‘Waarom? Ik wil hem liever niet bij jou alleen achter laten.’

Hij stond op en ging dreigend naast haar staan. ‘Ik ben je meerdere. Of zal ik met mijn medechefs overleggen dat jij maar gedegradeerd moet worden, of nog erger, ontslagen?’

‘Nee, natuurlijk niet. Ik ga al.’ Ze vluchtte de kamer uit.

Michel staarde haar na en keek toen angstig naar Dominique die op dat moment poeslief naar hem lachte: ‘Zal ik je handboeien losmaken? Dat waren we eigenlijk vergeten.’

‘Wat wil je, Dominique Meyer?’ hijgde hij argwanend.

‘Ik wil wel even plezier met je maken. Daarom ben je toch in eerste instantie bij me gekomen?’

De jonge arrestant transpireerde flink.

‘Kleed je maar uit, Michel.’ Hij draaide de deur op slot. ‘Of wil je soms dat ik je daarbij help?’

‘Ga je mij nu verkrachten?’ vroeg hij onzeker.

‘Wat dan? Wil je er onderuit komen?’

‘Ja, graag.’

‘Dat kan maar op één manier. Heb je al bedacht hoe?’

Hij boog zijn hoofd. ‘Ja, ik zal meewerken. Het is inderdaad Mosen. We moesten jou flink bang maken door je goed te pakken te nemen. Hij vertelde dat jij had gezegd dat je absoluut niet op mannen valt en dat hij daarom expres homo’s op jou af wilde sturen. We kregen er leuk voor betaald en toen ik jouw foto had gezien, had ik er geen problemen meer mee. Ik doe het liever niet met een lelijke vent.’ Hij durfde de rechercheur niet aan te kijken.

Dominique liep naar de deur en draaide hem van het slot af. Andrea kwam binnen met koffie voor Michel.

‘Drink uw koffie, Michel. Ik wil u laten gaan en zal ervoor zorgen dat u bewaking krijgt totdat Mosen achter slot en grendel zit. Ik denk dat u niet zo’n slechte jongeman bent. Probeer er de volgende keer alstublieft rekening mee te houden dat niet alle mannen verkracht willen worden. Als u wilt vrijen, kan dat ook op een andere manier, goed?’

De jonge arrestant vond alles prima, als hij maar niet meer bij Dominique hoefde te blijven.

De rechercheurs liepen naar de uitgang. ‘Je hebt het voortreffelijk gedaan, Andrea. Echt uit de kunst.’

Ze keek hem verrast aan. ‘Meen je dat?’

‘Ja. Je bent een talentje, je chef heeft gelijk. Ik heb dankzij jou alles uit hem gekregen.’

‘Ik vond het een eer met jou een verhoor af te nemen.’

Hij gaf haar een hand. ‘Dat is wederzijds, Andrea. Misschien komen we elkaar wel weer eens tegen. Ik hoop het.’

‘Ik denk van wel, want mijn man werkt, net als u, bij de Natio-,’ maar hij hoorde het niet meer. Hij liep al weg.

 

Dominique nam zaken door met Angela, toen plotseling de deur van de afdeling werd opengegooid. ‘Waar is jullie chef, Dominique Meyer?’ schreeuwde de stevig gebouwde man.

Hij nam een slok koffie. ‘Hé, Alex de loodgieter. Tijd niet gezien, man,’ grijnsde hij. ‘Wat komt u doen? Heeft het baasje haar hondje naar mij toegestuurd?’

Alle collega’s keken verbaasd van Alex naar Dominique.

De loodgieter rende onverwachts naar hem toe en gaf een harde klap tegen zijn hoofd. Hij zag sterretjes en ging tegen de vlakte. Zijn beker met koffie vloog verderop tegen de muur. Langzaam druppelde de koffie naar beneden en Angela staarde er met open mond naar.

De rechercheurs stonden klaar om in te grijpen, maar wachtten op het teken van hun baas.

Dominique krabbelde moeizaam overeind. Alex had opeens een mes in zijn hand en greep hem van achteren, met het mes tegen zijn keel. ‘Zeg je collega’s dat ze hun handen omhoog doen, anders snijd ik je strot door.’

Hij knikte. ‘Als ze u hadden willen oppakken, was dat allang al gebeurd. Wat wilt u, Alex?’ hijgde hij.

‘Je huis wordt niet verkocht, begrepen? Je hebt er een makelaar op af gestuurd, idioot.’

‘Waarom mag ik niet verkopen? Het is mijn eigendom.’

‘En van Charell.’

‘Had u gedroomd.’

‘Dat zei ze.’

‘Had zij gedroomd dan. Ik heb via de notaris geregeld dat alles alléén van mij is. Dat weet zij trouwens heus wel.’

Alex duwde hem hardhandig tegen de muur.

‘Shit, Alex, doe nou eens rustig.’

‘Zorg er nou maar voor dat dat huis eigendom van Charell wordt.’

‘Nee.’

Hij drukte het mes harder tegen zijn keel.

De politieman probeerde te bedenken hoe hij zich hieruit kon redden. ‘Weet u wat? Jullie mogen erin blijven wonen totdat het verkocht is. Het geld van de woning heb ik namelijk nodig, dus ik wil het wel verkopen,’ loog hij.

‘Hoe lang gaat dat duren?’

‘Dat hangt er vanaf. Ik weet niet wanneer iemand het wil kopen, Alex.’

‘En wat moeten wij dan?’

‘Hebt u zelf dan geen huis?’

‘Daar woont mijn vrouw in.’

‘Wat een zootje, Alex. U bent getrouwd en papt aan met een andere getrouwde vrouw. Dat is toch niet meer normaal?’

‘Zij is veel mooier.’

‘En ze was van mij. U hebt haar afgepikt.’

‘Ze verleidde me zelf.’

‘Dat geloof ik niet.’

‘Het is toch zo. Geloof het nou maar. Ze vindt mij trouwens veel beter in bed,’ sprak hij trots, terwijl hij de rechercheur van top tot teen bekeek.

Dominique sloeg zijn ogen neer. ‘Fuck. Dat zal wel,’ mompelde hij. ‘Goed, jullie kunnen het huis huren zolang als jullie willen,’ beloofde hij, ‘maar dan wil ik wel elke maand geld zien en dan zal ik niet zeuren dat jullie eruit moeten.’

‘Voor hoeveel?’

‘Duizend euro per maand.’

‘Is dat niet wat veel?’

‘Voor zo’n woning is het een lachertje.’

‘Ik zal het overleggen met Charell. Krijgt zij helemaal niets na de scheiding?’

‘Nee, alles is van mij. Zij had helemaal geen cent toen wij trouwden. Ik had een erfenis gekregen en heb dat altijd op mijn eigen naam laten staan. En ik verdien natuurlijk best goed, zij niet.’

Alex bekeek de rechercheur nu grijnzend. ‘Ik heb in je afschriften gekeken en zag dat je een vette miljonair bent.’

‘Vuile schoft. Ik kijk toch ook niet in uw privégegevens,’ riep hij woedend.

Alex hield het mes nog steeds tegen zijn keel. ‘Je mag wel wat aardiger tegen me doen. Ik heb het wapen in mijn hand.’

‘Neem me niet kwalijk. Zou u alsjeblieft niet meer in mijn afschriften en andere privégegevens willen kijken?’ zei hij overdreven vriendelijk.

‘Moet je ze maar ophalen.’

‘Ik heb daar eigenlijk nog niet zoveel tijd voor gehad, maar ik kom binnenkort langs. En dan wil ik meteen horen of jullie ingaan op mijn aanbod om het huis te huren. Dan kan ik daarna de makelaar bellen dat de verkoop eventueel niet doorgaat. En ik zal een officieel huurcontract op laten stellen. Is dat goed?’

‘Oké. En dan kunnen we meteen afspreken hoeveel geld jij voor die foto’s van jou met Markus geeft,’ sprak hij met een valse grijns. ‘Is het nou lekkerder met een vent? Charell wist trouwens niet dat je van SM hield.’

Dominique staarde zwijgend naar de grond. Alex liep zonder nog wat te zeggen de deur uit.

Dominique ging verslagen zitten. Hij dacht na over de foto’s die door Charells detective waren gemaakt en wist bijna zeker dat die tijdens hun gijzeling bij Mosen waren gemaakt. Markus lag vastgebonden op bed en Dominique had onder invloed van drugs gehandeld. Hij voelde een woede opkomen. Die detective had de politie moeten inseinen, dan hadden ze eerder bevrijd kunnen worden.

Katinka verstoorde zijn gedachten doordat ze binnenkwam, en vol zelfvertrouwen sprak: ‘Ik heb geloof ik heel goed nieuws, chef.’

‘Ga zitten, meisje. Vertel eens.’

‘Een getuige heeft bevestigd dat Achmed inderdaad de contactpersoon was en hij vertelde ook dat Achmed de namen John Zomer, Gerrit Schooneveld en Willem Jongsma een keer heeft laten vallen.’

Hij rukte de blocnote uit haar handen. ‘Is dit de naam van de getuige?’

Ze knikte beduusd, want zo’n overweldigende reactie had ze niet verwacht.

Hij liep naar de deur en riep Peter en Stephan.

‘Wat moet je, baas?’

‘Ik wil dat jullie nu meteen een belangrijke getuige opzoeken. Hij schijnt vier namen genoemd te hebben en ik wil dat zeker weten. Als het echt zo is, hebben we ze te pakken.’

‘Geef het adres maar, we gaan meteen,’ zei Stephan.

Dominique gaf het en hoorde op dat moment zijn telefoon gaan. ‘Goedemorgen, Dominique Meyer.’

‘Je neemt meestal zo keurig op, dat vind ik heel leuk.’

‘Mosen, ik vind het altijd heel erg aangenaam u aan de telefoon te hebben. We kunnen samen zo gezellig babbelen, vindt u niet?’ reageerde hij sarcastisch.

‘Leugenaar. Hé, je vriendje heeft hoofdpijn.’

‘Wat hebt u met hem gedaan?’ riep hij verontrust.

‘Straf gegeven. Dat had ik je toch beloofd?’

‘Mosen, vertel alstublieft wat u hebt gedaan,’ smeekte hij nu.

‘Alleen maar een paar klappen gegeven. Hij viel huilend op de grond. Hij wilde alleen door jou getroost worden.’

Hij sloot zijn ogen en voelde tranen langs zijn wangen lopen. ‘Shit. Is hij alleen of zit hij bij rechercheur Goezinne?’

‘Ze zitten gezellig saampjes bij elkaar.’

Dat stelde hem een beetje gerust. Hij wist dat Arjen de officier zoveel mogelijk zou steunen. ‘Waar?’

‘Niet zoveel vragen stellen, smeris.’

‘Ligt hij weer vastgebonden op een bed?’

‘Ik hou niet van jouw vragen, Dominikie. Hou ermee op.’

Hij zweeg.

‘Goed zo. Zo ken ik je weer. Ga vriend Willem bellen.’

‘Willem Jongsma is mijn vriend niet en tevens kan ik hem niet gemakkelijk bereiken.’

‘Jij vindt vast wel een oplossing. Anders gaat Markusje er als eerste aan en daarna heb ik Arjen nog.’

‘Ik doe mijn best,’ zuchtte hij.

‘Zeg, smeris, ik heb nog meer explosieven geplaatst, want ik heb gehoord dat je die andere had gevonden. Wat ga je eraan doen?’

‘Shit, Mosen. Ik heb geen tijd om daarnaar te laten zoeken,’ sprak hij wanhopig.

‘Jammer voor al die mensen, want je kunt beter naar die explosieven zoeken dan naar mij of naar je vriendjes.’

Dominique zuchtte nog een keer en deed zijn uiterste best vriendelijk te blijven. ‘U hebt gelijk. Kunt u mij alstublieft een tip geven?’

‘Deze keer niet, smerisje. Zorg ervoor dat je Willem te pakken krijgt. Als dat niet vlug gebeurt, gaan je vriendjes eraan, en al die mensen.’

‘Ik zorg ervoor. Hou die explosieven alstublieft nog heel, goed?’

‘Misschien.’ Hij hing op.

‘Fuck.’ Woedend gaf hij een schop tegen zijn bureau. Vervolgens belde hij met Markus’ collega. ‘Tim, wil jij misschien met mij Achmed Ozturk nog een keer verhoren?’

‘Eigenlijk heb ik geen tijd, want ik heb het druk met het werk van Markus, maar ik ga wel met je mee en ben over een paar minuten bij je. Je verdachte zal toch door een officier gehoord moeten worden, en aangezien Markus er niet is, zal ik het over moeten nemen.’

‘Dank je wel.’ Hij hing op en vroeg zich af waar Mosen hen vasthield. Hij had rechercheur Jean Veiga in Tilburg al gebeld het hotel nog een keer te doorzoeken, maar daar zaten alleen maar kakkerlakken en ander ongedierte. Verder had hij geen concrete aanwijzingen voor hun vermoedelijke verblijfplaats. Mosen had helaas niets losgelaten en er waren tot nu toe ook niet veel bruikbare tips binnengekomen. Maar hij was van plan de topcrimineel deze keer uit te schakelen, op wat voor manier dan ook. Hij dronk vlug zijn koffie op, en liep vervolgens met Tim de Goede naar beneden, hem intussen informerend over zijn verhoormethode.

Achmed Ozturk keek geïrriteerd. ‘Jullie zijn pas nog geweest.’

‘Het spijt me, maar ik heb iets belangrijks. Dit is trouwens officier van justitie Tim de Goede, hij is de plaatsvervanger van officier Dubois. Mijn collega’s zijn er niet bij, want ze verhoren een zeer belangrijke getuige.’

‘Wat is dat dan voor getuige?’

‘Iemand die namen heeft genoemd. Onder andere jouw naam.’

‘Hij liegt.’

‘Iedereen liegt volgens jou. Misschien ben jij wel degene die liegt.’

‘Wat wil je nou van me, smeris?’

‘Ik wil Willem Jongsma graag spreken, want ik kan echt niet zonder hem. Heb je hem nou al gebeld?’

‘Nee.’

‘Officier De Goede gaat akkoord met een lagere eis, als je tenminste meewerkt.’ Hij legde zijn mobieltje op tafel. ‘Bellen.’

‘Nee.’

‘Nu, Achmed. Laatste kans, anders ga je gewoon lekker twintig jaar de bak in,’ sprak hij dreigend.

‘Je zegt maar wat.’

‘Hij heeft gelijk, meneer Ozturk,’ zei Tim. ‘Ik ga twintig jaar eisen. Er gaan er zeker vijf vanaf als u nu belt.’

‘Bellen, Achmed,’ zei de recherchechef weer. ‘Zeg Jongsma dat ik hem heel erg mis en dat ik een heel interessant voorstel voor hem heb.’ Hij draaide zich om, zodat Achmed rustig het telefoonnummer kon intoetsen.

Hij was te verbaasd om er tegenin te gaan en belde. ‘Hé Willem, met Achmed. Pak een pen en schrijf op.’ Hij las Dominiques telefoonnummers op vanaf een visitekaartje. ‘Heb je ze genoteerd? Dit zijn twee nummers van die vervelende rechercheur Dominique Meyer. Via via heb ik vernomen dat je hem moet bellen, want hij schijnt je te missen en wat interessants voor je te hebben. Als je niet geïnteresseerd bent, hoef je niet met hem in zee te gaan. Maar waarom zou je hem niet bellen.’ Hij hing snel op.

Dominique lachte tevreden. ‘Keurig gesproken. Ik hoop dat hij snel belt. Tim, uiteraard mag Achmed voorlopig nog niet naar huis, maar ik neem aan dat jij lager gaat zitten met je eis.’

Hij was het hiermee eens en gaf Achmed een hand. Daarna gingen Dominique en Tim elk naar hun eigen werk.

Niet lang daarna ging Dominiques telefoon en hij werd nerveus. Zou het Mosen zijn of Jongsma? De ene of de andere crimineel. Hij nam op.

‘Dag meneer Meyer, u spreekt met makelaar Bos.’

Hij gaf een zucht van verlichting. ‘O gelukkig, meneer Bos. Ik verwachtte iemand anders. Wat hebt u voor me?’

‘Uw huis is inderdaad anderhalf miljoen waard.’

‘Dat dacht ik al. Zeg, waarschijnlijk ga ik het voorlopig verhuren, dus dan zou u het niet hoeven te verkopen. Zal ik u terugbellen als dat huren niet doorgaat en ik alsnog van mijn woning af wil?’

‘Dat is prima, meneer Meyer. U bent de klant en zoals u weet, is de klant koning.’

‘Goed, dan is dat afgesproken. Dank u wel, meneer Bos.’

Meteen ging de telefoon weer. ‘Fuck.’ Hij keek ernaar en ademde diep in. ‘Goedemorgen, Dominique Meyer.’

‘Willem Jongsma. Ik hou het kort, want jullie hebben de naam lijnen te traceren.’

Hij was zeer verheugd dat hij belde en eigenlijk had hij het niet verwacht. ‘Vertrouwt u mij, meneer Jongsma?’

‘Nee, voor geen cent.’

‘Geloof me, ik traceer op dit moment niets, want ik wil graag uw medewerking.’

 

Jongsma zat in restaurant Mon Amour aan het vertrouwde tafeltje in de hoek en glimlachte zowaar toen Dominique eraan kwam. ‘Dag smeris, kom eens even gezellig bij me staan.’

Hij keek verbaasd, maar gehoorzaamde wel. Jongsma fouilleerde hem en pakte zijn wapen af. De rechercheur ging er niet tegenin, want hij had echt zijn hulp nodig.

‘Ga zitten en bestel bier.’ Hij keek goed om zich heen, om zich ervan te verzekeren dat er geen politie in de buurt was.

‘Wilt u ook lunchen? Ik betaal.’

‘Wat neem je?’ vroeg hij argwanend.

‘Ik vind tosti’s hier altijd erg lekker. Die hadden we de vorige keer ook, weet u nog?’

‘Is goed. Als je maar niet zo achterlijk doet als de eerste keer,’ snauwde hij. ‘Dus niet ingrijpen bij een overval.’

Dominique wenkte de ober voor de bestelling en keek weer naar Jongsma. ‘Eigenlijk zit ik hier om daarover met u te praten.’

‘Ik wil er niet meer over praten. Boei je hand aan de radiator, smeris. Ik heb mijn wapen onder tafel op je gericht.’

Hij zuchtte teleurgesteld. ‘Dus u vertrouwt me nog steeds niet. Kijk, ik hou me aan mijn woord en ben alleen gekomen. Er is geen politie in de buurt. Maar het valt nogal op dat er hier veel mannen met hun mobieltje bezig zijn, meneer Jongsma. Zouden ze mij soms in de gaten houden en weet u daar meer vanaf?’

‘Nu, smeris,’ eiste hij dreigend.

Hij gehoorzaamde zuchtend.

‘Sleuteltje.’ Jongsma hield zijn hand op.

De rechercheur overhandigde het geïrriteerd aan hem. ‘Ik was echt niet van plan nog een keer in te grijpen, hoor. Trouwens, een overval gebeurt ook niet iedere dag.’

‘Ik neem gewoon het zekere voor het onzekere.’

De ober zette het bier en de tosti’s neer en keek stomverbaasd naar de geboeide hand.

‘Oprotten,’ zeiden de crimineel en de rechercheur in koor.

De ober vluchtte weg, waarbij hij een nette dame omver liep. Ze viel heel langzaam achterover op de grond, met haar benen omhoog. Dominique en Jongsma staarden met grote ogen naar de dikke blote benen onder haar rok. De ober werd rood en trok haar vlug overeind. Hij bood wel honderd keer zijn excuses aan.

‘Wat moet je, smeris? Ik heb gehoord dat je geïnteresseerd bent geworden in mij. Is dat persoonlijk?’

Dominique nam een slok bier en begon aan zijn tosti met een geïrriteerde blik op zijn geboeide hand. ‘Nee, het spijt me. Ik ben nog steeds heteroseksueel,’ reageerde hij met volle mond. ‘Willem, uh, meneer Jongsma, die overval was waarschijnlijk in scène gezet.’

‘In scène gezet? Hoe kom je daar nou weer bij? Door wie?’ Hij at ook en vond het blijkbaar nog lekker ook. Grote happen propte hij naar binnen.

‘Ik ben op dit moment met twee zeer grote zaken bezig. Met Spanno, maar dat had u vast wel begrepen en met Mosen.’

‘Mosen?’ Hij keek hem argwanend aan en vroeg zich af wat hij daarmee te maken had.

‘Een topcrimineel die uit de gevangenis is ontsnapt.’

‘O, een paar weken geleden. Ik heb zoiets gelezen. Hij is ook een paar keer op de televisie geweest. Waarom ik niet?’ vroeg hij ijdel.

‘Dombo. Ik denk dat hij nog erger is dan jullie. Die idioot is hartstikke gestoord. Jullie hebben nog hersens. Hij wil op dit moment diverse gebouwen opblazen en ik weet niet waar ik moet zoeken.’

‘In Amsterdam?’

‘In Nederland. Hij zit er niet mee te moorden en heeft op dit moment officier Dubois en mijn collega in gijzeling.’

Jongsma lachte hard. ‘Die officier is geliefd bij de misdadigers. Blijkbaar doet hij toch iets verkeerd.’

Dominique keek hem witheet aan. ‘U bent echt een loser, meneer Jongsma. Ik wil hem heel graag in leven houden en daar heb ik alles voor over.’

‘Wat heb ik met Mosen en jouw vriend te maken?’

‘Mosen heeft die overval en ontvoering van u en mij vermoedelijk in scène gezet om een spelletje met mij te spelen en u was er ongelukkigerwijs bij betrokken.’

‘Maar wat heb ik er nou mee te maken?’ Hij werd ongeduldig en dronk nog wat van zijn bier.

De recherchechef staarde ernaar en zei toen langzaam: ‘Omdat u en ik samen verantwoordelijk zijn voor de dood van zijn maten, wil hij dat wij naar hem toekomen. Ik hoop dat we de gijzelaars daarmee redden.’

‘Uitgesloten.’ Hij zette zijn bierglas hard op tafel en stond op. ‘Ik ga geen smerissen en officieren redden ten koste van mijn eigen leven, klootzak.’

‘Niet meteen nee zeggen, ik ben nog niet klaar,’ stamelde hij wanhopig. Hij rukte aan zijn geboeide hand en kon geen kant op. Hij kon Jongsma niet eens volgen als die weg zou lopen.

De crimineel bleef staan. ‘Je moet wel een ijzersterk voorstel hebben, wil je mij mee krijgen. Ik ga me namelijk niet zomaar aan een gestoorde crimineel overgeven, snap je wel? Het kan mij niet zoveel schelen dat jouw vriend en je collega gemold worden. Ik schiet er niets mee op dat hun leven gered wordt als ik naar jouw crimineel ga.’

‘U en ik waren behoorlijk bedreigd toen we werden ontvoerd, nietwaar? Tevens hebben die idioten ons onder dwang drugs gegeven, in opdracht van Mosen. Ik vond dat werkelijk een vernedering, u niet?’

‘Eigenlijk wel,’ gaf hij met tegenzin toe, terwijl hij weer ging zitten.

‘Nou, ik bied u de mogelijkheid om Mosen daarvoor af te straffen. Ik kijk de andere kant op als Mosen per ongeluk of expres gedood wordt. Want neem maar van mij aan dat die gore crimineel u en mij zal achtervolgen, totdat wij dood zijn.’

Jongsma staarde ongelovig naar de politieman. ‘Weet je, smeris? Dat geeft mij een geweldige kick, het is zelfs nog beter dan seks. Ik moet iemand doden in opdracht van een topsmeris, ha, ha. Wat zit hier eigenlijk achter?’ vroeg hij ineens zeer wantrouwend.

‘Ik wil deze zaak gewoon opgelost hebben, meneer Jongsma. Nadat Mosen is uitgeschakeld, kijk ik een half uur lang een andere kant op. Die tijd krijgt u om te vluchten. Begrepen? Een half uur, niet langer.’

Jongsma knikte en nam een grote slok bier uit Dominiques glas. De rechercheur staarde ernaar, maar zei er niets van. ‘Ik zal ervoor zorgen dat het opsporen naar u moeilijk wordt gemaakt. Hier hebt u een mobiel. Daar bel ik u op wanneer ik u nodig heb. U kunt mij altijd bereiken op mijn mobiel. En, uh, ik ben u eeuwig dankbaar als dit allemaal goed afloopt.’ Hij propte het laatste stukje tosti naar binnen en wachtte zijn reactie af.

De crimineel stond grijnzend op, stopte het nieuwe mobieltje in zijn zak en legde Dominiques wapen neer, samen met het sleuteltje van de handboeien. ‘Ik ga, en wacht het af. Spannend om met een smeris samen te werken. Ik verheug me er werkelijk op.’

 

Dominique kwam weer bij de Landelijke Recherche. ‘Hoe ging het verhoor met onze belangrijke getuige, Peter en Stephan?’ Hij zette zijn computer aan en bekeek de binnengekomen mails.

‘Die man, Ron Brons heet hij, was heel zeker van die vier namen. Helaas is hij een dief, en heeft hij de portefeuille van Achmed gepikt.’ Peter liet die aan Dominique zien.

‘Prachtig, prachtig. En verder?’

‘Achmed sprak tijdens een telefoongesprek over mensen die in een kelder bij een moord aanwezig wilden zijn.’

Hij glimlachte tevreden. ‘Dat is voldoende bewijsmateriaal. Wil hij meewerken als getuige? Hij zal dan waarschijnlijk wel voor de rechter moeten verschijnen.’

‘Ja, dat is dus nog een probleem. Hij wil niet getuigen als hij de cel in moet voor de diefstallen die hij tot nu toe heeft gepleegd. Binnenkort moet hij zijn daden voor de rechtbank verantwoorden.’

‘Ernstige diefstallen?’ vroeg hij aan zijn oor krabbend.

‘Nee, tasjesroof en dergelijke. Er zijn nooit doden of gewonden gevallen en hij heeft nooit iemand bedreigd.’

‘Ik moet het overleggen met Markus, ik, uh, bedoel Tim. Ik wil hem meteen vragen of we Spanno-directeur Zomer weer mogen oppakken.’

‘Doe maar.’

Dominique belde en Tim nam op. ‘Hé Dominique. Gaat het?’

Hij wreef over zijn gezicht en zuchtte diep. ‘Nee, het gaat niet. Ik denk voortdurend aan Markus en raak daardoor soms mijn concentratie kwijt. Maar het werk gaat gewoon door. Zeg, Tim, kun jij iemand die van diefstal wordt verdacht vrijuit laten gaan?’

De officier staarde in de hoorn alsof hij de politieman daardoor zou kunnen zien. ‘Nee, natuurlijk niet. Wat is dat nou voor een idiote vraag?’

‘Ik bedoel eigenlijk als hij een zeer belangrijke getuige is in een grote moordzaak.’

‘Wat voor moordzaak?’ vroeg hij geïnteresseerd.

‘Spanno. Hij heeft de namen van de hoofdverdachten genoemd. Zonder deal getuigt hij niet.’

‘Sluit de deal maar op mijn verantwoording. Geef zijn naam door en ik zorg dat de dossiers in de prullenbak verdwijnen.’

‘Dank je wel. Is het goed dat we Zomer weer oppakken, aangezien we nu een getuige hebben?’

‘Ik regel een arrestatiebevel. Hoe gaat het met het opsporen van Markus en Arjen?’

‘Zoals je weet, heb ik via Achmed contact kunnen opnemen met Willem Jongsma. Hij gaat mee naar Mosen. Het is me gelukt, Tim,’ sprak hij verheugd.

‘Waarom zou hij dat doen? Wat voor voordeel haalt hij er uit? Tenzij hij graag mishandeld en gedood wil worden.’

‘Dat vertel ik liever niet over de telefoon. Iemand zou weleens kunnen afluisteren, weet je. Zullen we koffie drinken bij Mon Amour?’

Hij vond dat een goed idee en ze kwamen daar bijna tegelijk binnen. De mannen met de mobieltjes waren verdwenen. Dominique had ook niet anders verwacht, want het waren duidelijk Jongsma’s maten geweest.

De ober keek Dominique verbaasd aan. ‘Gaat u uzelf weer aan de radiator vastbinden, agent?’

‘Vastbinden?’ vroeg Tim met pretoogjes.

‘Ik moest me van Jongsma boeien. Blijkbaar vertrouwde hij me nog niet.’

‘Wat wilt u bestellen?’ vroeg de ober.

‘Twee koffie, alstublieft.’

‘Vertel over Jongsma, Dominique.’

Hij krabde op zijn hoofd en keek Tim onzeker aan. ‘Uh, hoe zal ik beginnen?’

‘Misschien met de waarheid? Doe nou maar net of ik Markus ben, Dominique. Ik val echt wel mee, hoor. Hij heeft mij persoonlijk ingewerkt, dus misschien denk ik wel een beetje zoals hij. Nou, jullie moeten naar Mosen toe en ik wil weten waarom hij meegaat. Ik zelf zou het niet doen als er niets voor mij tegenover stond.’

De ober bracht de koffie en daarna vertelde Dominique alles. Tim keek hem afkeurend aan.

‘Markus zou het ermee eens zijn, maar van jou ben ik niet zo zeker,’ probeerde de rechercheur.

‘Markus zou het ermee eens zijn? Hoe kom je daar nu weer op? Hij zal nooit iemand zomaar laten doden, ook al gaat het om een crimineel.’

Hij liet zijn hoofd zakken en roerde in zijn koffie, hoewel hij geen melk en suiker gebruikte. ‘Ik red niet alleen de gijzelaars ermee, ik red ook nog eens al die mensen die opgeblazen gaan worden, Tim.’

Hij schoot in zijn stoel naar voren. ‘Wacht even, ik heb geloof ik iets gemist. Over welke mensen heb je het?’

‘Sorry, ik had je blijkbaar nog niet volledig geïnformeerd. Hij heeft explosieven op onbekende plekken geplaatst. Ik kan daar niet naar laten zoeken, want ik heb geen hint gekregen waar ik moet zoeken. Ik kan heel Nederland wel uitkammen,’ zei hij wanhopig.

‘Pfff, goed, je krijgt mijn goedkeuring.’

Dominique grijnsde. ‘Ik hou van je.’

‘Slijmerd.’

 

‘En hoe is het met de tortelduifjes?’ lachte Mosen toen hij hun kamer binnenkwam.

Markus lag nog steeds op bed en werd weer bang toen hij de crimineel zag, dus hij schoof zo ver mogelijk naar de muur toe.

Arjen zat bij hem en keek argwanend naar Mosen. ‘Komt u hem nu weer in elkaar slaan?’

‘Nee, smerisje, deze keer niet. We gaan verhuizen.’

‘Waar gaan we heen?’

‘Niet zo nieuwsgierig. Je merkt vanzelf wel waar we heen gaan. Sta op, smeris en aanklager.’

Arjen stond op, maar Markus had er moeite mee.

Mosen rukte hem van het bed af, waardoor hij kreunend op de grond viel. Geïrriteerd trok hij hem overeind. ‘Je kunt ook niets, hè, officiertje?’

‘Ik voel me niet zo lekker en ben bang dat ik flauw ga vallen,’ hijgde hij met gesloten ogen.

‘Help hem dan!’ snauwde Arjen.

Mosen gaf hem een klap. ‘Ik beslis wanneer klootzakken mogen praten, begrepen?’

Arjen keek zwijgend naar de grond en voelde hoofdpijn opkomen. De officier liet zich tegen de muur aanvallen en ademde zwaar. Hij zag erg bleek en het was duidelijk dat hij zich niet lekker voelde.

‘Neem die klootzak mee,’ beval Mosen aan zijn maat, ‘en zorg ervoor dat hij niet flauwvalt, want dan zul je hem moeten tillen.’

Douwe Kroon greep hem bij de arm en sleurde hem mee naar buiten. Hij wenkte Arjen. ‘Jij moet ook mee, smeris. Lopen.’

Hij volgde netjes, aangezien hij zich geen problemen op de hals wilde halen. Buiten stond een bestelbusje waar ze in werden gezet. Vader en zoon Kroon kwamen bij hen zitten en Mosen nam voorin plaats, naast Anton van Veen en Isabelle.

‘Hé, hoe oud ben jij eigenlijk?’ vroeg Arjen aan Bas.

‘Zestien. Hoezo?’

‘Is dat niet wat jong om al crimineel te zijn?’

‘Ik ben er trots op, hoor.’

‘Jij kunt nog goed terechtkomen, jongen. Je moet niet zo stom zijn.’

‘Je lijkt die idioot wel, die Dominique Meyer. Die zegt ook steeds van die belachelijke dingen.’

 


 

34

 

Aan het eind van de middag ging Dominique naar Charell en Alex. Hij twijfelde nog of hij de deur met zijn sleutel zou openen of dat hij aan zou bellen. Hij besloot aan te bellen. Alex opende breed grijnzend, maar Dominique negeerde hem en liep langs hem naar binnen, waarbij hij expres tegen hem aan stootte. Toen zag hij Charell staan en wist hij weer waarom hij van haar had gehouden. Ze droeg een doorschijnend bloesje waaronder haar prachtige lichaam te zien was. Hij wilde haar vasthouden en zoenen. Hij wilde haar naar het bed tillen. Hij wilde… van alles met haar doen. Een paar tellen staarde hij naar haar en toen liep hij verder om zijn privéspullen te pakken.

‘Zeggen we niets meer, Dominique?’ riep ze hem na.

‘Waarom zou ik?’ Hij keek niet naar haar om, maar liep gewoon door.

‘Misschien heb je dat geleerd bij je opvoeding?’ verklaarde ze hem verwijtend.

‘Misschien heb jij ook dingen geleerd bij je opvoeding die je allemaal vergeten bent?’ beet hij haar toe.

‘Nou weet ik weer waarom ik een leukere vent zocht,’ reageerde ze kil.

‘Dank je, Charell. Ik dacht dat je altijd van me gehouden had.’

‘In het begin wel, maar toen kende ik je nog niet. Nu weet ik wel beter.’

‘Ik ben hier niet gekomen om ruzie te maken. Zullen we het ergens anders over hebben?’

‘Waarover dan?’

‘Over het gezellige bezoek van je slaaf op mijn werk. Mijn collega’s mochten meegenieten. Ik schaamde me rot, Charell.’

‘Moet je maar vertellen waar je op dit moment verblijft,’ mopperde ze.

‘Vertel ik niet.’

‘Dan is dat jouw probleem. Nou begrijp je vast wel waarom hij naar de Landelijke Recherche kwam.’

‘Ik wil dat je hem niet meer stuurt, begrepen, Charell?’

‘Waarom niet?’

‘Daarom niet. Punt uit. Als je wat wil zeggen of vragen, kom je zelf maar, of je belt me.’

‘Ik zal erover nadenken.’

‘Hebben jullie al besloten wat jullie doen? Gaan jullie dit huis van me huren of niet?’

‘Voorlopig. Hoewel ik duizend euro best veel vind.’

‘Ja of nee?’

‘Ja, Dominique,’ antwoordde ze kattig.

‘Goed. Ik heb mijn spulletjes gepakt, zodat dat zwijn niets meer over mij kan opzoeken.’

‘Het is geen zwijn.’

‘Hond dan.’

‘Dominique!’

Hij grijnsde naar haar en wierp een valse blik op Alex. ‘Wist je trouwens dat wij onder huwelijkse voorwaarden getrouwd zijn, dame?’

‘Wat wil je daarmee zeggen?’

‘Dat jij helemaal niks van mij krijgt. Nul komma nul.’

‘Je geeft me geld voor deze foto’s, Dominique,’ zei ze wijzend naar de foto’s.

Hij keek er aandachtig naar en schrok van de duidelijke afbeeldingen.

‘Jij weet vast wel waar en wanneer die genomen zijn, nietwaar, Dominique?’ lachte ze vals.

Hij keek haar beschaamd aan. Hij wist inderdaad waar ze genomen waren. Markus werd door Mosen gegijzeld, en Dominique probeerde zijn leven te redden door hem met zijn lichaam op te warmen. Er waren ook nog andere foto’s, op andere locaties, maar die waren niet zo choquerend. Daar omhelsden ze elkaar alleen maar, er was niet duidelijk op te zien wat ze verder deden. Hij keek weer naar de foto waar hij op zijn vriend lag en dacht na. Er was in die kamer een klein raampje, hoog in de muur. De detective moest de foto door dat raampje genomen hebben. ‘Ik wil zekerheid hebben dat de originele opnames vernietigd zijn en dat er geen kopieën meer rondzwerven, en daarna betaal ik.’

‘Je moet me geloven dat ik ze echt heb laten vernietigen. Ik heb er niets aan om jou te bedriegen.’

Hij stopte de foto’s in zijn tas. Hij wist dat Markus’ carrière voorbij zou zijn als deze foto’s bekend gemaakt zouden worden. Van zijn eigen carrière was hij niet zeker, maar dat interesseerde hem veel minder. ‘Hoeveel willen jullie?’ vroeg hij mat.

Alex kwam erbij staan. ‘Het zijn tien foto’s en we willen voor elke foto twintigduizend euro.’

Dominique kreeg het warm. ‘Dus u bedoelt dat u tweehonderdduizend euro wilt hebben? Begrijp ik dat goed?’

‘Ja. Als we het over een week nog niet hebben, volgen er sancties,’ sprak hij streng.

‘Wat voor sancties?’

‘Dan maak ik de foto’s via de krant en het internet bekend. Markus is officier, dus veel mensen kennen zijn naam. Hij zal het wel erg leuk vinden om met jou samen in de krant te komen. En een zeer bekwaam officier van justitie die homo is en van SM houdt, is weer eens wat anders, nietwaar?’

‘Hieruit begrijp ik dat de opnames nog helemaal niet vernietigd zijn, meneer Veldman,’ sprak Dominique nijdig.

 

Ze werden uit de auto gesleept en Markus viel meteen op de grond. Douwe Kroon gaf een paar schoppen en schreeuwde dat hij moest opstaan, maar hij kon het niet en kreunde.

‘U ziet toch dat hij al pijn genoeg heeft,’ reageerde Arjen boos.

Kroon ging dreigend tegenover staan. ‘Jij houdt je smoel als je niets gevraagd wordt, gesnopen? Anders gaat de officier eraan.’

Hij keek zwijgend van Kroon naar Isabelle die Markus en hem gewoon uitlachten. Kroon greep Markus bij de haren en trok hem ruw overeind. Arjen keek een andere kant op, want hij wilde liever geen getuige van mishandeling zijn. Hij constateerde dat ze in een bos waren. Ze werden naar stenen gebouw gebracht, vlakbij een houten schuur. Een kleine hal leidde naar een ruime kamer, waarin enkel een paar houten stoelen stonden, verder niets. In een hoek bevond zich een kleine keuken met koelkast. In het midden van de kamer hingen kettingen aan het plafond. Arjen keek er argwanend naar.

Mosen schaterde: ‘Ja, Arjen, daar ga ik jullie aan vastbinden.’

‘Ik denk niet dat u dat officier Dubois aan kunt doen. Bind mij er maar alleen aan vast, Mosen. Hij is duidelijk ziek, dus hij moet rusten.’

‘Daar was hij tijdens zijn vorige kidnapping ook niet blij mee, dus wat wil hij nou, hè?’ snauwde hij geïrriteerd.

‘Ik stel voor dat u hem met rust laat, want hij heeft al genoeg meegemaakt.’ Arjen kreeg meteen spijt van zijn woorden, maar het was al te laat.

Kroon gooide Markus tegen de muur en sloeg hem een aantal keer. Hij had er duidelijk plezier in, want af en toe keek hij lachend om naar de rechercheur die zijn hoofd had afgewend.

‘Kijken,’ schreeuwde Mosen en hij draaide ruw Arjens hoofd in de richting van de officier.

Hij kreeg tranen in zijn ogen toen hij hem afgetuigd zag worden.

 

‘Wat leuk dat je belt, Dominique. Vanwaar deze eer?’

‘Ik zou het fijn vinden als jullie bij me komen,’ gaf hij toe. ‘Het liefst allebei.’

‘Waar zit je nu?’

‘Op het bureau, maar daar kunnen we ook gewoon seks hebben, hoor. Er is hier verder niemand.’

‘Joyce,’ hoorde hij Cathy roepen, ‘wil jij vanavond naar Dominique op zijn werk?’

In de verte hoorde hij bevestigend antwoorden.

‘Mijn tweelingzus heeft ook wel zin in gezelligheid, dus dan zie je ons zo verschijnen.’

‘Ik kijk er naar uit,’ lachte hij tevreden.

Een kwartier later ging de bel. Hij had de deur op slot gedaan, omdat hij bijna alleen in het gebouw zat. Alleen in de detentievleugel waren nog wat collega’s, maar dat was ver van zijn eigen afdeling af. Hij rende naar beneden en opende tevreden de deur. ‘Dag schatjes, kom verder.’ Hij bewonderde hun sexy kleding: een zwarte minirok met netlook panty en hoge suède laarzen. Joyce had daarbij een crèmekleurig bloesje uitgezocht en haar zus droeg een strak zwart T-shirt.

‘Ik heb een paar flessen wijn meegenomen, dan kunnen we lekker dronken worden,’ lachte Cathy.

‘Goed idee. Helaas hebben we hier geen wijnglazen, maar uit koffiebekertjes is het net zo lekker.’ Hij pakte bekertjes en Joyce haalde een kurkentrekker uit haar tasje te voorschijn. Dominique maakte de eerste fles open.

‘Nou, waarom zijn wij hier uitgenodigd, lekker stuk?’

‘Ik hou van jullie en heb gewoon ontzettende behoefte aan seks. Ik heb het nog nooit zo fijn gevonden als met jullie twee,’ bekende hij.

Ze dronken van hun wijn en grinnikten naar elkaar. ‘Je bedoelt dat het nog nooit zo spannend is geweest.’

‘Goed, ik moet bekennen dat ik nog nooit eerder met twee dames tegelijk in bed heb gelegen.’ Hij schonk nog wat wijn in en goot het snel naar binnen. Het smaakte goed en de eerste fles was vlug leeg. ‘Ik heb kaarten meegenomen,’ zei hij, terwijl hij de volgende fles ontkurkte.

‘En dan?’

‘Dan kunnen we strippoker doen. Ik hoop dat jullie verliezen,’ grinnikte hij opgewonden.

Ze lachten en wilden zijn spelletje wel meespelen. Dominique kwakte zijn bekertje naast de prullenbak en dronk nu gewoon uit de fles. Af en toe schonk hij de bekertjes van de dames vol, maar zelf dronk hij het snelst. Hij voelde zich meer ontspannen nu hij veel op had. Door de drank dacht hij tenminste eventjes niet aan Markus. Naarmate het spelletje vorderde, lagen er steeds meer kledingstukken op een stapel, en de lege flessen stapelden zich ook op. Hij voelde zich licht in zijn hoofd worden en raakte steeds meer opgewonden. Hij wilde niet meer wachten en trok ongeduldig de rest van zijn kleding, en die van de dames, met hun toestemming, helemaal uit. ‘Het is tijd, lekkere stukken,’ lachte hij en hij liet zich met de tweeling op de grond zakken. Zacht kreunend liet hij zich verwennen, hij gaf zich helemaal aan hen over.

De telefoon stoorde hen wreed. Zeer geïrriteerd kroop hij van Cathy af, duwde Joyce voorzichtig van hem weg en liep naar de telefoon. Intussen dronk hij nog een paar teugen uit de fles.

‘Moet je die beantwoorden?’ vroeg Cathy met een blik op zijn heerlijke lichaam.

‘Ja. Hoewel ik hem liever laat gaan, maar de telefoon is de reden dat ik van mezelf hier moest blijven. Stom, hè? Maar ja, het kan belangrijk zijn.’ Hij struikelde over zijn eigen voeten en lachte er hard om.

Zijn gasten giechelden.

‘Met mij,’ zei hij nog steeds lachend, terwijl hij op de speaker drukte. Van hem mochten de dames meeluisteren, het interesseerde hem niets.

‘Hé, wat hoor ik nou?’

‘Hoi Mosie. Hoe is het nou, ouwe rukker?’

‘Ben je dronken, smeris?’

‘Je stoorde me. Ik was net lekker bezig. Ze luisteren mee, hoor,’ hijgde hij nog steeds opgewonden, met een knipoog naar de uitdagende dames.

‘Ik wilde je uitnodigen voor een bezoekje met je vriendje Willem.’

Hij schrok en was meteen bijna nuchter en besefte met wat voor stommiteit hij bezig was geweest. Om een goed gesprek met Mosen te voeren, moest hij zich nu concentreren, want het leven van Markus en Arjen lag in zijn handen. ‘O, uh, moeten we nu komen?’

‘Ja, anders heb je twee dode vriendjes op je geweten.’

Hij rommelde in een lade om een pen te zoeken, maar daarbij gooide hij een stapel dossiers op de grond.

‘Wat doe je allemaal, Dominikie?’

‘Oeps. Ha, ha, er gaat een stapel dossiers aan de loop. Ik heb een pen gevonden. Waar moeten Willem en ik heen, Mosie?’

‘Ik hoop niet dat je te dronken bent, want jij moet rijden en Willem zit naast je.’

‘Waarom mag Willem niet rijden?’

‘Ik ben de baas, weet je nog?’

‘Ja, Mosie. Waar moeten we heen?’ Hij liet een grote boer en deed van schrik een hand voor zijn mond.

‘Je bent echt jezelf niet, smeris. Nou, luister goed. Ga maar weer eerst naar IJmuiden, naar die telefooncel. Daar hoor je de rest.’ Hij wilde ophangen.

‘Ho, stop, Mosie. Zo snel kan ik ook weer niet schrijven. IJmuiden, telefooncel. Oké, genoteerd. Uh, ik moet Willem nog bereiken. Hoe laat moeten we daar zijn?’

‘Het is nu elf uur, dus om kwart voor twaalf kun je daar wel zijn.’

‘Fuck you, Mosie. Dat red ik nooit. Ik moet me nog aankleden en heb geen flauw idee waar Willem op dit moment is.’

‘Ha, ha, dus ik stoorde je echt. Ben je met meerdere mokkels?’

‘Gaat u niets aan dat ik het met twee tegelijk doe. Mogen we iets later komen?’

‘Kwart voor twaalf spreek ik je verder.’ Hij knalde de hoorn erop.

‘Fuck, ik heb het goed verkloot.’ Hij voelde aan zijn hoofd en was duizelig.

Ze keken hem geschrokken aan. ‘Wie was dat?’ informeerde Joyce.

‘Een gore klote crimineel. Ik moet Willem bellen. Je ex-collega van Spanno moet mee.’

‘Waarom moet hij mee?’ vroeg Cathy verbaasd.

‘Dat is een veel te langdradig en saai verhaal en ik geloof niet dat ik er tijd voor heb om dat te vertellen, ha, ha. Ik geloof zelfs dat ik IJmuiden niet ga halen. Arme Markus en Arjen, ik kan ze niet meer redden, dus ze gaan dood.’ Hij ging hulpeloos op de grond ging liggen en sloot de ogen.

Joyce tikte tegen zijn wangen aan. ‘Bij de les blijven, Dominique. Je moet aan het werk.’

‘Oeps, das waar.’ Hij belde Jongsma en was opgelucht dat hij opnam. ‘Hoi Willem, met je vriend Dominique. Hoe is het, ouwe jongen,’ zei hij luchtig.

‘Je stoort me, klootzak,’ zei hij wantrouwend. Hij vond de rechercheur maar vreemd praten.

‘Mosie stoorde mij dubbel.’

‘Mosie?’ Hij kon zijn lachen bijna niet houden.

‘Nou ja, Mosen dan. Om kwart voor twaalf moeten we in IJmuiden zijn.’

‘Redden we nooit.’

‘Waar zit je nu?’

‘In een kroeg in het centrum, vlak bij Mon Amour.’

‘Zorg ervoor dat je buiten bij de ingang van Mon Amour staat, want daar haal ik je op, hoop ik, ha, ha. Ik denk dat ik dat wel weet te vinden.’

‘Hm, goed dan. Tot zo.’

Hij wankelde tijdens het aankleden en voelde zich steeds beroerder worden. Vlug belde hij zijn collega’s voor observatie. Ze namen allebei op, maar waren niet blij dat ze zo laat in de avond gebeld werden. Stephan sliep al en Peter vertelde niet waar hij mee bezig was. Dominique had wel een vermoeden, maar liet niets merken. Hij beval hen Katinka en Teun mee te nemen, aangezien hij verder geen collega’s had.

‘Gaan jullie maar naar huis, sexy stootjes. Het was een geweldige avond en ik hoop dat we het de volgende keer wel af kunnen maken,’ lachte hij naar zijn vriendinnen.

‘Als er een volgende keer komt. Zorg nou eerst maar dat je er levend uitkomt.’

 

Willem Jongsma wachtte keurig voor Mon Amour en stapte bij Dominique in de auto. ‘Wat een kut avond om op stap te moeten met een smeris.’

‘Wat een kut avond om te rijden. Ik ben flink aangeschoten en ben daar behoorlijk misselijk van.’

‘Je wist dat hij kon bellen, klootzak,’ snauwde hij geïrriteerd.

‘Ik had een klein feestje. Weet je, Willem, ik heb ook nog een privéleven, hoor.’

‘O, dat wist ik nog niet, smeris,’ reageerde hij sarcastisch, ‘hoe kun jij nou vrienden hebben?’

‘Je bent leuk, idioot.’ Het viel hem op dat Jongsma regelmatig achterom keek. ‘Wat zoek je?’

‘Toch vind ik het wel aardig dat je me nu tutoyeert, smeris. Blijkbaar zijn we toch een beetje vrienden geworden.’

‘Vind je het goed? Anders doe ik het niet meer, hoor.’

‘Ik vind het oké.’

‘Dank je. Wat zoek je nou?’

‘Niets. Niet zo zeiken.’

Dominique zag in zijn spiegeltje op grote afstand Stephan en Peter volgen. Tussen hun auto’s in reden nog andere auto’s, dus ze hielden veilige afstand.

‘Je slingert, smeris.’

‘Oeps, das niet mijn bedoeling.’

Hij keek hem nijdig aan. ‘Je bent niet aangeschoten, maar je bent stomdronken, klootzak. Laat mij maar rijden, want het is hier best druk. Je bent nota bene van de politie, idioot!’

‘Mag niet van Mosie.’

‘Straks worden we staande gehouden en krijg je een vette bon van je collega’s. Als je tenminste niet aangehouden wordt, want daar heb je met je dronken harses ook nog kans van. En dan is het adieu met je rijbewijs, vriend.’

‘Laten we maar hopen dat dat niet gebeurt,’ sprak hij met een blik op Jongsma.

Die schreeuwde nog in paniek, maar het was al te laat. Dominique reed een man aan die daardoor over de motorkap rolde. Hij stond boven op de rem en begon te trillen. ‘Shit.’

Het was meteen een puinhoop op de weg. Er stonden al vlug mensen omheen en een vrouw noteerde voor de zekerheid Dominiques kenteken. Hij was duidelijk schuldig, dus hij stapte uit en liep naar het slachtoffer om te checken of hij nog leefde, maar hij was helaas overleden. Hij liet zich op de grond zakken met het hoofd tussen zijn handen. Mensen wezen naar hem en hij hoorde hen over hem praten. Dit was het einde van zijn carrière. Hij had gewoon niet zoveel moeten drinken. Hij had alleen maar aan zichzelf gedacht, in de hoop de problemen even uit zijn hoofd te kunnen zetten. Nu kon hij Markus en Arjen wel vergeten, die waren ten dode opgeschreven.

Peter en Stephan belden verontrust met elkaar. Ze besloten voorlopig niet in te grijpen, want ze wisten niet precies wat er was gebeurd. Als het nodig was, konden ze altijd nog inspringen.

De politie was al vlug ter plaatse. ‘Waar is de bestuurder?’

Hij wankelde naar hem toe en toonde zijn legitimatie. ‘Ik ben Dominique Meyer van de Landelijke Recherche. Ik ben met een zeer urgente zaak bezig, maar daarbij heb ik hem aangereden. Kunnen we dit alstublieft na mijn dringende zaak afhandelen? Ik zal mezelf na afloop bij u melden.’

De agent snoof diep in en vroeg: ‘Hebt u gedronken, rechercheur Meyer?’

Hij wendde zijn hoofd af en gaf geen antwoord.

‘Wilt u even blazen?’

‘Nee, ik heb gedronken en weet dat ik fout zit. Maar ik moet eerst mijn zaak afhandelen.’

‘Absoluut niet! U bent aangehouden. Laat uw collega’s het maar afhandelen.’

Hij zuchtte en raakte bijna in paniek. ‘Moet u horen, lieve agenten: die crimineel daar kan samen met mij het leven van een officier en een rechercheur redden, en das heel mooi, vindt u niet? Daarnaast kunnen we voorkomen dat een aantal gebouwen ergens in Nederland opgeblazen worden. Aan u de keuze of u al die moorden op uw geweten wilt hebben. Hoewel het vast en zeker een gaaf vuurwerk gaat worden, dat ik best wil zien, ha, ha.’ Hij wankelde op zijn benen en de agent moest hem tegenhouden opdat hij niet zou vallen.

‘Ja, ja, smoesjes kunnen we allemaal verzinnen. U bent duidelijk dronken, rechercheur Meyer en u gaat met ons mee, voordat u weer iemand te pletter rijdt. Agent of geen agent: u hoort niet te drinken als u nog de weg op moet.’ De politieman duwde hem tegen de auto en wilde handboeien omdoen.

Jongsma kwam geïrriteerd uit de auto en gaf de agent een harde klap. ‘Meekomen, stomme, dronken smeris,’ mopperde hij. ‘Je kunt ook niks zonder een stoer persoon in de buurt.’ De crimineel zag een envelop op de grond liggen, pakte die op en stopte het in zijn zak. Hij had gezien dat er een briefje van vijftig euro uitstak en zou later wel stiekem kijken hoeveel geld er totaal in zat.

Een andere agent probeerde Dominique tegen te houden, maar de rechercheur gaf hem een klap, sprong in de auto, gaf flink gas en keek niet meer in zijn spiegeltje.

‘Wat ben je toch een gore imbeciel om te zuipen. Hoe haal je het in je klote kop?’ snauwde Jongsma.

‘Had jij vanavond dan niet gedronken?’ verweerde hij zich.

‘Natuurlijk wel, maar het is mijn zaak niet.’

‘Dat is het wel, Willem. Trouwens, ik had er behoefte aan.’

‘Als je ze vrij wilt krijgen, zul je jezelf moeten gedragen.’

‘Het spijt me. Oeps, ik geloof dat ik weer moet kotsen, Willem.’ Hij hing met zijn hoofd buiten de deur en kotste zijn hele maag leeg. ‘Heb je een tissue of een doekje?’

Jongsma overhandigde met flinke tegenzin zijn zakdoek. ‘Hij is gebruikt, maar ik geloof niet dat je daar op dit ogenblik mee zit. Gooi hem alsjeblieft weg, want ik wil hem niet meer terug, gore viezerik.’

Dominique reed de snelweg op en reed daarbij bijna tegen de vangrail op. Jongsma corrigeerde net op tijd en keek hem zeer boos aan.

Eindelijk aangekomen bij de eindbestemming, sprong Dominique uit de auto en nam de telefoon op. Hij rinkelde al, het was stipt kwart voor twaalf. ‘Hoi Mosen,’ hijgde hij opgewekt.

‘Ik wist wel dat je het ging redden, zuiplap, en je vriendje is er zelfs bij.’

‘Dus u hebt weer een camera in mijn auto laten plaatsen? Die andere had ik er namelijk uit laten slopen.’

‘Ik ga nu geen theekransje houden, smerisje. Gooi jouw en Willems wapen in het water. Doe hetzelfde met jullie mobieltjes.’

‘Ah, ik mag het deze keer allemaal tegelijk doen.’

‘Hou je kop en doe wat ik je vraag.’

‘Goed. Ik laat u heel even hangen, tot zo.’

Hij liep naar Jongsma die geduldig op de motorkap wachtte. ‘Ik moet onze wapens en mobieltjes in het water laten plonsen.’

‘Zeg, daar werk ik niet aan mee, hoor.’

‘Anders hebben we geen deal.’ Hij hield bevelend zijn hand op en Jongsma gaf het met flinke tegenzin af.

‘Als je jezelf er maar niet in laat vallen.’

Hij keek fronsend achterom en struikelde, waardoor hij nog bijna echt in het water viel. ‘Daar ben ik weer, Mosen. Ik heb het gedaan en ben er bijna achteraan gesprongen,’ hijgde hij.

‘Ben je nog steeds zo erg dronken? Je hebt iemand doodgereden, dat had ik van een goede smeris niet verwacht. Misschien ben je niet zo goed als je denkt.’

Hij reageerde daar niet op, want hij wist dat hij gelijk had. ‘Leven officier Dubois en rechercheur Goezinne nog?’

‘Dat merk je vanzelf wel.’

‘Anders hoeven we toch niet te komen, lummel?’

‘Omdat je dronken bent, wil dat niet zeggen dat ik het accepteer dat je brutaal bent, smeris.’

‘O. Leven ze nog?’

‘Zeg ik niet. Vergeet al die explosieven niet, hè?’

‘Die ben ik echt niet vergeten, hoor. Wat moeten we doen?’

‘Rij naar Utrecht en neem daar een hotelkamer.’ Hij noemde de naam van het hotel.

‘Eén kamer?’

‘Jullie kunnen wel een nachtje samen slapen.’

‘Fijn. Hoe laat moeten we daar zijn?’

‘Om één uur. De kamer is onder jouw naam gereserveerd. Welterusten.’ Hij hing op.

Lachend ging Dominique naast Jongsma op de motorkap zitten die hem stomverbaasd aankeek.

‘Wat valt er nou te lachen, zuiplap?’

‘Voulez-vous coucher avec moi? We gaan samen slapen, vriend.’ Hij sloeg daarbij op zijn been.

Jongsma stapte mopperend met de rechercheur in de auto. Vervolgens reden ze naar het hotel, waar ze zich bij de receptie meldden.

‘Goedenavond,’ lachte Dominique naar de receptionist. ‘Wij hebben saampies een kamer gereserveerd.’

De man achter de balie bekeek hen onderzoekend. ‘Onder welke naam staat de kamer gereserveerd, meneer?’

Hij keek intussen rond. Het hotel was modern en groot. Zelfs midden in de nacht liepen er nog gasten rond. ‘Onder mijn naam.’

Hij schraapte zijn keel en keek hem vragend aan. ‘En hoe is uw naam, meneer?’

‘O, uh, Dominique Meyer.’

Hijkeek in het boek en knikte. ‘Mag ik uw legitimatie even vasthouden?’

Dominique liet een boer en lachte. ‘Oeps, sorry.’

De receptionist fronste en bekeek vervolgens uitgebreid Dominiques legitimatie. ‘Politieman?’

‘Het zal wel als het daar staat.’

Hij gaf de legitimatie terug en schudde zijn hoofd. ‘De politie van tegenwoordig. U krijgt kamer 1234. Dit is de sleutel.’

Hij keek ernaar en las het nummer op. ‘Één, twee, drie, vier. Nou, dat moet ik kunnen onthouden.’

‘Klootzak,’ siste Jongsma. ‘Gedraag je, smeris.’

‘Doe ik toch? Welke verdieping is het?’

‘Twaalfde natuurlijk,’ antwoordde de receptionist verbaasd.

‘O. Zo natuurlijk vind ik dat ook weer niet.’

‘Je had niet zoveel moeten zuipen. Het kamernummer begint met twaalf, snap je?’ legde Jongsma geduldig uit.

‘Nee, ik snap het niet en wil het ook niet snappen. Ik ben moe en wil graag naar bed. Ga je mee?’

Jongsma volgde hem grommend naar de lift.

De kamer was netjes en redelijk ruim. Er stonden goede bedden, een fraai bureau en een televisie. De badkamer was klein, maar het was voldoende.

Dominique liet zich op één van de bedden vallen en sloot zijn ogen. ‘Ik wil niet meer gestoord worden.’

Jongsma glimlachte. ‘Lekker knus, hoor, zo dicht bij jou slapen.’

‘Hou je kop, Willem. Ik ben moe.’ Hij viel binnen een paar minuten in slaap, maar de crimineel bleef nog een tijdje naar hem kijken.

De politieman werd wakker toen hij onbekende stemmen hoorde. Hij opende zijn ogen en keek recht in een felle zaklamp. Hij schrok zich rot. ‘Shit, wat moet dat?’ riep hij.

De inbreker richtte een wapen op hem. ‘Strippen.’

‘Pardon?’ Hij wreef in zijn ogen, maar de mannen verdwenen niet. Hij was dus echt wakker.

‘Kleren uit doen.’

Een andere kerel deed het licht aan en nu zag de rechercheur pas dat ze helemaal in het zwart gekleed waren en bivakmutsen droegen. Ook Jongsma schrok zich wild.

‘Waarom moet ik me uitkleden? Mijn geld zit in mijn portefeuille. Neem maar mee,’ zei de politieman.

‘Strippen, allebei.’ Hij hield dreigend zijn geweer tegen zijn hoofd. ‘Onderbroek ook uit.’

Zuchtend gehoorzaamden ze. De mannen doorzochten de kleding en inspecteerden hun slachtoffers nauwkeurig. Vervolgens vertrokken ze zonder nog wat te zeggen.

Dominique trok zijn wenkbrauwen op. ‘Wat was dat nou?’

‘Je ziet er lekker uit, smeris,’ grijnsde hij met goedkeurende blik.

Dominique kleedde zich vlot aan. ‘Ik val niet op mannen, weet je nog? Ga nou maar slapen, Willem.’

 

Arjen staarde al een tijdje naar de officier, toen die uiteindelijk zijn ogen opende. ‘Goedemorgen Markus. Gaat het met je?’ vroeg hij ongerust.

Hij schudde langzaam zijn pijnlijke hoofd. ‘Ik zou zo graag heel even willen liggen. Ik geloof dat ik flauw ga vallen.’ Hij ademde diep in en zag erg bleek.

Arjen zag dat zijn aan de ketting gebonden polsen lelijk bloedden, waarschijnlijk omdat hij moeite had te blijven staan door zijn duizeligheid. Maar hij besloot geen hulp te vragen, want dan zou Markus weer in elkaar geslagen worden. ‘Probeer rustig in en uit te ademen. Verder kan ik je niet helpen, want steeds als ik wat zeg, word jij gepakt.’

‘Ik weet het. Waar zijn we?’ hijgde hij met half dichtgeknepen ogen.

Hij haalde zijn schouders op. ‘In een gebouw ergens in een bos.’

Markus keek kreunend naar zijn pijnlijke polsen. ‘En waar is Mosen?’

‘Weet ik niet. Ze zijn weggegaan, maar ik heb geen flauw idee waarheen.’

‘Hoe laat is het?’

‘Wist ik het maar. Ik schat dat het een uur of zeven in de ochtend is.’

Hij kreunde weer. ‘Komt Dominique?’

‘Ik hoop het, Markus. Zelfs dat weet ik niet.’

De officier sloot zijn ogen en dacht na. ‘Mosen laat ons niet gaan, Arjen. Mij in ieder geval niet.’

‘Dat weet ik. En ik neem aan dat Dominique dat ook weet. Hij zal echt wel voorzorgsmaatregelen nemen, hoor. Hij is niet helemaal gek.’

‘Hij is de beste politieman die ik ken,’ glimlachte Markus. ‘Ook al gedraagt hij zich soms onverantwoord, ik weet zeker dat ik op hem kan rekenen, Arjen.’

 

De telefoon ging meerdere keren over en Willem Jongsma snauwde: ‘Pak hem nou op, klootzak, of ben je nog steeds bezopen?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Goedemorgen, Dominique Meyer.’

‘Zijn jullie al wakker?’

‘Wat was dat nou, Mosen? Wat moesten die griezels vannacht bij ons?’

‘Vond je het niet gezellig?’ lachte hij.

‘Nee, we sliepen net zo lekker en ik hou er niet van om mezelf voor mannen uit te kleden.’

‘Dat is jammer, want ik had eigenlijk nog wel leuke spelletjes in gedachten. Ik vind je er trouwens voortreffelijk uitzien.’

‘Ik zie dat maar als compliment. Dus hier hebt u ook camera’s geplaatst, maar ik had eigenlijk ook niet anders verwacht. Waar moeten we heen?’

‘Jullie worden opgehaald.’

‘Opgehaald?’

‘Ja, en jullie vertrekken via de achterzijde. Want er staan vast en zeker een aantal smerissen voor het hotel te wachten. Ik wil dat je geen telefoontjes pleegt, en je weet het: ik hou jullie in de gaten.’

‘Vanzelfsprekend. Mogen we eerst nog ontbijten?’

‘Doe maar en betaal ook meteen voor de overnachting. Om acht uur worden jullie bij de receptie opgehaald.’ Mosen hing op.

‘Gore crimineel,’ mopperde de recherchechef die de hoorn erop knalde. ‘Hij verwacht dat ik buiten politiemannen heb staan.’

Jongsma keek bedenkelijk en wilde wat zeggen, maar Dominique deed een vinger op zijn lippen en wees naar het plafond, waar een mini camera was bevestigd.

‘Laten we ontbijten, Willem. We hebben nog een half uur de tijd.’

Er was volop keuze in brood en broodbeleg en genoeg te drinken, warm en koud. Zwijgend zaten ze tegenover elkaar en genoten van hun ontbijt. Het was druk, hoewel het een gewone donderdagochtend was. Er was gezellige achtergrondmuziek en af en toe neuriede Dominique zacht mee. ‘Ik denk dat dit hotel door veel zakenlui wordt gebruikt.’

‘Ik denk dat dit hotel nogal duur is,’ reageerde Jongsma nors.

‘Ik betaal, dus het kost je niets.’

‘Jij?’

‘Nou ja, de Landelijke Recherche dan.’

‘Ik wil ook wel bij de politie werken, dan krijg je leuke en gezellige uitjes voorgeschoteld.’

‘Leuk en gezellig? Ik zit hier om mensen uit een gijzeling te redden en om explosieven heel te houden.’

‘Kom op, je moet er wel van genieten, smeris. Anders heb je er niets aan.’

‘Dat doe ik niet echt, hoor. Ik denk de hele tijd aan ze. Dubois is mijn allerbeste vriend en Goezinne, uh, ik vind hem heel aardig. Het is net of ik hem mijn hele leven al ken.’ Hij zuchtte. ‘Die loser zal Dubois wel weer flink mishandelen,’ sprak hij ongerust een plakje jonge kaas in zijn mond proppend.

‘Ben je nou op Markus of Arjen verliefd?’ grijnsde Jongsma. ‘Of op allebei?’

‘Idioot,’ mompelde hij. ‘Als jij homo bent, betekent dat nog niet dat ik het ook ben.’

‘Jammer. Waarom zal hij die officier mishandelen, denk je? Hij doet toch alleen, maar zijn werk?’ merkte hij met volle mond op.

‘Je begrijpt het, Willem. Daar verbaas ik me werkelijk over, want jullie wilden hem ook steeds pakken.’

‘We waren inderdaad bang dat hij zijn werk te goed zou doen.’

Dominique boog voorover. ‘Zal ik je een geheimpje vertellen? We luisteren niet naar dreigementen, dus we gingen gewoon door met onderzoek. Naar jullie en naar Mosen.’ Hij veegde zijn mond schoon met een papieren servet.

‘Nou, daar heb je het al, Dominique. Daarom is hij woedend op jullie.’

De rechercheur legde zijn servet zuchtend op tafel. ‘Ik denk het ook. En daarom laat ik jou je gang gaan als we bij Mosen komen, want ik ben werkelijk pissig op hem. Ik moet me inhouden om hem niet zelf te vermoorden.’

Jongsma glimlachte. ‘Weet je, wij hebben best wel overeenkomsten, smeris.’

‘Niet zo veel, Willem. Ik werk alleen met je samen om de gijzelaars te redden, nergens anders om.’

‘Prima.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Het is tijd.’

‘Goed.’ Dominique dronk vlug zijn koffie op en volgde hem naar de receptie, waar hij de rekening betaalde. Hij boog naar Jongsma en fluisterde in zijn oor: ‘Heb je veel criminelen meegenomen, Willem?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Zeg, ik ben niet achterlijk. Ik heb vier rechercheurs die me volgen. Hoeveel criminelen volgen jou?’

Hij keek even om zich heen en sprak zacht: ‘Vijf.’

‘Keurig. Ik hoop dat ze zo slim zijn om de achterdeur ook in de gaten te houden, want we kunnen je mannen nodig hebben.’

‘Ik ga er wel vanuit. Zijn die smerissen ook zo verstandig?’

‘Ik ben hun chef en geef ze bevelen. Wat denk je nou, Willem?’ reageerde hij arrogant.

Glimlachend kwam ze eraan alsof er nooit wat was gebeurd. ‘Hoi chef. En jij bent Willem?’

Hij gaf haar goedkeurend een hand. ‘En wie ben jij, mooie dame?’

‘Isabelle Brink, zijn collega.’

‘Ex-collega en gore moordenaar,’ corrigeerde de recherchechef haar nijdig. ‘Dus je hoeft me niet meer chef te noemen, want dat ben ik gelukkig niet meer. Dan hoef ik me ook niet meer te schamen.’

‘Ik ben nog niet ontslagen.’

‘Dat gebeurt binnenkort en daar zal ik persoonlijk voor zorgen,’ snauwde hij.

‘Dus dan ben je mijn chef nog.’

‘Je wilt blijkbaar het laatste woord hebben, Isabelle. Maar als ik jouw chef ben, dan mag ik zeggen wat je moet doen, nietwaar?’

‘Nee, want ik draag een wapen en hij is geladen. Tevens heeft mijn vriend gijzelaars die weleens dood kunnen gaan.’

Hij gaf het op. ‘Wat wil je dat we doen?’

‘We gaan door de achterdeur.’ Ze wees naar een dure, zilverkleurige Mercedes.

‘Fraaie auto, Isabelle. Hoe kom je daaraan?’

‘Die heeft Mosen voor me gepikt.’

‘Leuk voor de eigenaar. Heb je daar weleens aan gedacht?’

‘Dat boeit me echt niet, hoor. Jij bent echt zo’n stomme smeris.’

‘Jij ook.’

‘Ik ben niet stom.’

‘Zeg, kunnen jullie dat alsjeblieft later uitvechten als ik er niet bij ben?’ onderbrak Jongsma hen boos.